EREWOORDVERKLARING

In aanvulling op wat is geschreven over de erewoordverklaring van 14 juli 1940 (NRC Handelsblad, 10 en 17 juni): dr. L. de Jong heeft in het dertiende en slotdeel van zijn geschiedschrijving meegedeeld dat ook een groep adelborsten geweigerd heeft te tekenen. Die groep "werd, merkwaardig genoeg, over het hoofd gezien' (p. 97). Hij geeft niet aan hoe groot die groep is geweest.

Overigens: uit bijlage 27 bij het in 1956 verschenen verslag van de Parlementaire Enquêtecommissie over het onderdeel Militair beleid 1940-1945 (deel 8) blijkt dat van de 41 daar met naam vermelde beroepsofficieren van het KNIL die hadden geweigerd de erewoordverklaring te tekenen twee die verklaring echter wel hadden ondertekend maar haar wensten in te trekken. Een derde die ziek was op de dag dat de bezetter het stuk aan alle beroepsmilitairen had voorgelegd had te kennen gegeven dat hij voornemens was niet te tekenen. Deze lijst met 41 namen was afkomstig van het departement van koloniën en opgesteld naar gegevens van 1.8.'40. In feite hadden toen dus 38 geweigerd.

Dr. De Jong (die zelf in deel 4, p. 325 ook meldt dat er 41 hadden geweigerd) heeft over de twee spijtbetuigers echter opgemerkt dat zij bij de Duitsers geen gehoor vonden (deel 4. p. 327) en dat zij dus gebonden waren aan hun erewoordverklaring. De bezetter had bovendien aan twee landmachtofficieren teruggave van hun erewoord geweigerd. De bezetter maakte die weigeringen van teruggave bekend. Daarentegen is "vermoedelijk in het geval van een vijftal officieren' de teruggave van het erewoord wel geaccepteerd (a.v.), maar daarover is niets gepubliceerd.