Engelse tennis straks weer veroordeeld tot piekeren

LONDEN, 28 JUNI. Op een regenbuitje na was het zo'n typische Wimbledon-dag. Lange rijen wachtenden op Church Road, zwarthandelaren die smoezelend hun nering drijven en bezoekers op de ground opgetogen als pelgrims na een moeizame tocht. En natuurlijk grote rijen voor de aardbeien met room, de Pimm's, de champagne en de Wimbledon-winkel met tennisattributen waarvan de prijs door het unieke opgedrukte of ingeweven logo tot schaamteloze hoogte is opgejaagd. Commerciële activiteiten die de tennisliefhebbers eraan herinneren dat dit grand-slamtoernooi ondanks al zijn folkloristische eigenaardigheden een industrie is met winstoogmerk. Niet ten gerieve van een handjevol gewiekste zakenlieden, maar om de kas van de Engelse tennisbond te spekken.

Dit toernooi boekt jaarlijks miljoenen winst. In 1992 bedroeg die een kleine veertig miljoen gulden. Er was dan ook sprake van nationale verontwaardiging toen Chris Bailey vorige week donderdag na zijn enerverende, verloren strijd met Goran Ivanisevic - waarin hij één winnende slag verwijderd bleef van een ereplaats in het Wimbledon-museum - wereldkundig maakte dat de Engelse bond beëindiging van financiële ondersteuning aan hem had aangekondigd. Wat gebeurde er eigenlijk met dat geld, was er soms sprake van wanbeheer en lag daarin wellicht de diepere oorzaak van de kommervolle omstandigheden waarin deze o zo Britse sport verkeert sinds Fred Perry in 1934 op het Londense gras de laatste winnaar van dit grand-slamtoernooi was?

Richard Lewis, de technisch directeur van de Lawn Tennis Association en uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk voor de opleiding, rukte uit met groot verbaal materiaal en baande zich een weg door de vonkenregen van venijnige vragen over het hoe en waarom van Bailey's uitlatingen. Het was allemaal een misverstand geweest. De Engelse bond had de kosten van Bailey's coach Nick Carr gedeeld met de Nederlandse bond - Carr was ook trainer van Fernon Wibier - en aan die samenwerking was een einde gekomen.

Bovendien had Carr laten weten dat hij een aantrekkelijke aanbieding uit het buitenland op zak had, waardoor ze in een mistige onderhandelingsfase terecht waren gekomen. Dat had er weer toe geleid dat men Bailey verteld had dat een voortzetting van zijn samenwerking met zijn huidige coach Carr onzeker was. Inmiddels heeft een gefortuneerde Brit het geld toegezegd waardoor de tennisser ook volgend jaar over Carr kan beschikken.

Hun financiële afhankelijkheid van de bond onderstreept de tomeloze diepte waar met name de Britse tennissers zich ophouden. Ze hebben een rangschikking als een telefoonnummer, werd vorige week vol cynisme vastgesteld. Alleen Jeremy Bates, voor het begin van Wimbledon de nummer 1 van zijn land met een honderdste plaats op de wereldranglijst en vorig jaar voor Engeland de held toen hij in eigen land in de eerste ronde Michael Chang uitschakelde en uiteindelijk sneuvelde bij de laatste zestien, is voor zijn sport niet meer afhankelijk van de steun van de bond. Chris Wilkinson 143ste, Mark Petchey 226ste, Chris Bailey 263ste, Andrew Foster 332ste en Miles Maclagen 485ste wel. Dat dit dappere vijftal de eerste ronde overleefde werd in de media dan ook als een feest gevierd.

Het was sinds 1977 niet meer voorgekomen dat zo'n groot aantal daar in slaagde. In dit land dat stijf rechtop en vol zelfvertrouwen de economische put in is ingekelderd, is sport een instrument om iets tastbaars te geven aan de aangeboren trots. Naast humor hadden de Engelsen altijd hun sportieve verrichtingen om trots op te zijn. Veelal bereikt op wilskracht. Maar ook als sportnatie devalueerde Engeland. Het hoofd van de Engelse voetbalbondscoach Graham Taylor werd recent geëist in de schandaalbladen nu de resultaten van het elftal in de kwalificatie voor het wereldkampioenschap voetbal zo bedroevend zijn dat de eindronden volgend jaar in de Verenigde Staten vrijwel zeker niet gehaald worden. En begin vorige week was het land deels in rouw gedompeld dan wel van afschuw vervuld toen de cricketers het tweede deel van de testserie tegen Australië dik verloor.

Gelukkig kwam net op tijd de "historische doorbraak'. “Nu Britse winnaars even moeilijk te vinden zijn als Atlantis, heeft tennis, de meest uitgelachen sport, het land een onverwachte prikkel gegeven”, commentarieerde één van de kranten de “wedergeboorte van het tennis”. In ieder geval hielden de tennissers althans de hoop levend dat Wimbledon 1993 een nieuw tijdperk zou inluiden, het begin van de uitbetaling van de werkelijk honderden miljoenen guldens die er in de loop der jaren in de sport zijn gestoken. Ook al manifesteert die opleving zich pas de laatste weken tijdens het zogenoemde grasseizoen, op zich al een curieuze onderbreking van het spelen op gravel- en hardcourt banen.

Technisch directeur Lewis pareerde de kritiek van Bailey op het beleid van de bond met de opmerkingen dat het aantal bondscoaches in tien jaar tijd enorm is toegenomen: van 1 in 1983 tot 25 nu. Het meeste geld gaat echter naar het creëren van faciliteiten, want met het tennis was het al net zo als met zoveel dingen in het land: er is te laat op vernieuwingen ingesprongen. Indoor-mogelijkheden, gezien het klimaat geen overbodige luxe, waren schaars. Er is begonnen met een ambitieus accommodatie-plan waar ruim 180 miljoen gulden mee gemoeid is. Voor "national training' is jaarlijks een budget van 5,6 miljoen gulden beschikbaar.

Na de knappe weerstand die Bailey donderdag tegen Ivanisevic en in mindere mate Chris Wilkinson zaterdag tegen Stefan Edberg (verlies in drie sets 6-4, 7-5, 6-3) leverden kwam de vraag op of dergelijke spelers niet elk een individuele coach ter beschikking zouden moeten krijgen. De daverende lachsalvo's die bij zo'n verzoek behoren bleven uit.

De diepere achtergrond van het Engelse falen in de internationale tenniswereld is nog altijd niet blootgelegd. Een columnist van The Independent kwam vorig jaar tot de conclusie dat Engelsen geen knieën hebben om een korte-broekensport te beoefenen. “Laten we er mee ophouden voordat we er depressief van worden. Maar laten we eens nadenken wat er gebeurt als we onze lange broek aantrekken: bij het paardrijden, schaken, darts, snooker en canasta.”

Fred Perry, nog altijd de vraagbaak als het om dergelijke kwesties gaat, beschouwt het vooral als een kwestie van gebrek aan toewijding. “Tennissers laten tegenwoordig hun coach de volgende tegenstander observeren. Maar dat moet je juist zelf doen. Niet om z'n speltype te weten te komen, maar wel zijn eigenaardigheden.” Met een paar spelers in de derde ronde is Engeland dit jaar wel heel erg rijk bedeeld geweest. Centre court beleefde bloedstollende momenten en de invloed van een enthousiast thuispubliek heeft zijn effect gehad. Andrew Foster die uit de diepste diepten van de ranglijst kwam, plaatste zich zelfs bij de laatste zestien en trof vandaag Pete Sampras.

Ooit echter komt het moment dat kwaliteit het toeval stuit en de Engelse tennisbond weer is veroordeeld tot gepieker over de vraag hoe het toch kan dat overal beter wordt gespeeld dan in het land waar in 1877 de regels voor dit spel werden geschreven. Wie weet komt honderd miljoen gulden later wel een antwoord.

    • Peter de Jonge