De staat van burgeroorlog

De Tsjechische president Havel vergeleek onlangs de ondergang van het communistische imperium met die van het Romeinse Rijk.

Wat men verder ook van die vergelijking vindt, de diepgang van de veranderingen is veel groter dan we geneigd zijn te denken. De discipline van de Koude Oorlog is weggevallen en de gevolgen daarvan zijn bij lange na nog niet te overzien. Zeker is wel dat sinds 1989 het statensysteem danig is verzwakt. Niet alleen zijn er veel nieuwe staten ontstaan, waarvan men zich kan afvragen of ze levensvatbaar zijn, daarnaast lijken veel van de bestaande staten niet bij machte om recht en orde binnen hun eigen grenzen te handhaven.

De Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger heeft afgelopen week het beeld opgeroepen van een wereld met snel om zich heen grijpende burgeroorlogen (Ausblicke auf den Burgerkrieg, in Der Spiegel 21 juni 1993). De implosie van staten is in volle gang: op een omvattende schaal in Joegoslavië en Somalië, Angola en de Sovjet-Unie, maar ook Westeuropese landen als Duitsland of Italië worstelen, natuurlijk in een veel beperktere mate, met een aantasting van het geweldsmonopolie van de staat.

Hij plaatst dit verval op één schaal, die men bijvoorbeeld met de volgende reeks zou kunnen typeren: Solingen, Los Angeles, Palermo, Belfast, Soweto, Medellin, Serajevo, Beiroet, Mogadishu. Intutief is men geneigd daartegen te protesteren: openlijke burgeroorlog met duizenden doden en de vernietiging van hele steden kunnen toch niet in één adem worden genoemd met stadsoproer of racistische aanslagen. Toch moet men zich open stellen voor de gedachte dat ook de staten van West-Europa in toenemende mate kwetsbaar zijn voor georganiseerde en spontane misdaad. Zo wordt terecht het beeld ondermijnd van "orde hier, chaos daar'.

Enzensberger ziet nog een andere samenhang tussen het alledaagse geweld in zijn eigen land en de burgeroorlogen elders: “Aan de ene kant ligt die in het autistische karakter van de daders, aan de andere kant in hun onvermogen om onderscheid te maken tussen vernietiging en zelf-vernietiging. De huidige burgeroorlogen kennen geen enkele rechtvaardiging”. Dat is een onderschatting. In Bosnië bijvoorbeeld gaat het wel degelijk om tamelijk planmatige verovering van gebied ten dienste van een groot-Servië of een groot-Kroatië en in Duitsland kan men onmogelijk volhouden dat de aanslagen in Mölln en Solingen een vorm van hooliganism zijn. Op deze manier wordt scherp in het licht gesteld dat er ook zoiets is als geweld om het geweld en dat de uiteindelijke drijfveer van al deze zelfbenoemde krijgsheren meer dan eens gelegen is in zelfdestructie.

Deze schildering van een wereld, die getekend is door kleine en grote burgeroorlogen roept verschillende vragen op. De eerste is of deze conflicten nu de opmaat zullen worden tot verdergaande internationale ordening of dat juist een dergelijke verzameling van verzwakte staten helemaal niet tot samenwerking en integratie kunnen geraken.

Dat laatste lijkt veel waarschijnlijker. Even dacht men na 1989 dat een nieuw tijdperk was ingeluid waarin de overwinning van de natie-staat op de voorgrond zou staan. Maar momenteel is er een verschuiving gaande in een tegenovergestelde richting: de handhaving van het geweldsmonopolie van de staat is ineens een grote zorg geworden. Niet de oplossing van de natie-staat in een groter geheel is aan de orde, maar de bescherming van de natie-staat tegen verbrokkeling en burgeroorlog vraagt alle aandacht. De internationale orde leeft namelijk bij de gratie van stabiele staten die bij machte zijn om soevereiniteit over te dragen omdat ze erover kunnen beschikken.

Een volgende vraag geldt de drijfveren van de Verenigde Naties bij de omgang met deze burgeroorlogen. Waar ligt de nadruk bij de verdediging van de internationale rechtsorde, op het recht of op de orde? Inmiddels zijn in meer dan vijftien landen interventies gaande, waarvan het resultaat zeer ongewis is. Men zegt dat nationale soevereiniteit niet meer heilig is, maar het werkelijke doel van de meeste VN-interventies is nu juist de instelling van een regering die werkzame controle over het eigen grondgebied kan uitoefenen, kortom herstel van soevereiniteit.

Dat het niet zozeer om recht alswel om orde gaat wordt gellustreerd door de gang van zaken in het voormalige Joegoslavië. Elk compromis wordt geaccepteerd, zolang het maar de verhoopte vrede met zich meebrengt. Meer in het algemeen wordt duidelijk dat orde boven recht gaat door het gegeven dat de Verenigde Naties nooit in sterke staten interveniëren, ook al schenden die de mensenrechten op een grote schaal, maar altijd in zwakke staten, die in ontbinding verkeren en daardoor een bedreiging vormen voor de veiligheid in een bepaalde regio. De bescherming van de Koerden in Irak vormt een uitzondering die alles te maken heeft met de Golfoorlog. Het uitgangspunt van een gelijke behandeling in gelijke gevallen, die nu eenmaal hoort bij een rechtsorde, geldt niet voor het handelen van de Verenigde Naties.

Een laatste vraag betreft het vermogen tot ordening van de Westerse wereld. Ook al is Enzensbergers' scherpe beeld maar voor de helft waar, dan betekent het dat de instabiliteit niet op de drempel van de NAVO of de Europese Gemeenschap halt houdt. In tegendeel: de wereldwanorde raakt de geloofwaardigheid van alle samenwerkingsvormen die sinds de oorlog zijn opgebouwd tot in de kern. De verwarring over Joegoslavië kan niet overwonnen worden met een bombardement op Bagdad.

Als het klopt dat het geweldsmonopolie van de staat ook in de gendu- strialiseerde wereld onder druk staat, dan ligt een meer introverte opstelling voor de hand. Onzekerheid leidt nu eenmaal tot afscherming. Wie onder zulke omstandigheden een open houding wil handhaven, moet zich zeer precieze doelen stellen. Zou een verplichtender opvatting over onze bijdrage aan de veiligheid van Midden- en Oost-Europa geen voorrang verdienen, boven de illusie van alom tegenwoordigheid ten behoeve van de internationale rechtsorde?

De bescherming van de internationale rechtsorde is geen richtlijn voor handelen op een moment dat de inbreuken op die rechtsorde eerder regel dan uitzondering zijn. Enzensberger is huiverig voor dit ongeremde interventionisme en men begrijpt waarom. Wie eenmaal deze norm heeft gesteld is veroordeeld tot zelfverwijten waaraan geen einde meer komt. Waarom doen we niets in Soedan? Waarom laten we Oost-Timor aan zijn lot over? Nu al is wrokkigheid en machteloosheid in de publieke opinie waar te nemen, die mede te wijten zijn aan deze overspannen moraal.

Universele mensenrechten brengen geen universele verplichting tot militaire interventie met zich mee. We dreigen in de val van de wereldwanorde te raken. Ook voor de Nederlandse krijgsmacht geldt, dat wanneer men niet meer het eigen veiligheidsbelang weet te onderscheiden van de internationale rechtsorde als geheel en wanneer niet nagedacht wordt over de verhouding van recht en orde, men binnen de kortste keren in een praktische en morele impasse verstrikt raakt. Eenvoudigweg omdat het gebruik van geweldsmiddelen iets met zelfbehoud te maken heeft, hetgeen een militaire verantwoordelijkheid met zich meebrengt die duidelijk aan grenzen is gebonden.

    • Paul Scheffer