De Leeuw en Engel tonen drama in emotioneel zwart-wit; Antigone in overdekt amfitheater

Voorstelling: Antigone. Muziekdrama naar een vrije bewerking van Sophocles door Ton de Leeuw uitgevoerd door het Radio Kamerorkest m.m.v. Martine Mahé (mezzosopraan). Muzikale leiding: Reinbert de Leeuw; regie: André Engel; decor en kostuums: Nicky Rieti. Gezien: 25 en 27/6 Westergasfabriek, Amsterdam. Nog te zien 28/6 aldaar. Aanvang 21.00u.

De kale stenen muren van de Amsterdamse Westergasfabriek begrenzen de speelruimte. Er ligt zand op de vloer. De zeven ramen symboliseren de zeven poorten van Thebe, waar Antigone van Sophocles zich afspeelt. Met weinig moeite kan de toeschouwer zich inbeelden een Grieks amfitheater te zijn binnengegaan. Met dat verschil dat boven zijn hoofd zich niet de hemelkoepel welft, maar de stervormige geometrische staalconstructie van draagbalken waarop het dak rust.

Hier, in Amsterdam-West, ligt tijdens het Holland Festival de ideale lokatie voor de vrije bewerking die componist Ton de Leeuw maakte van het Antigone-verhaal. Een getrouwe reconstructie of iets dat daar maar in de verste verten op lijkt, is het niet geworden. Althans, niet naar het verhaal. Wel naar sfeer en intensiteit.

Klassici en pleitbezorgers voor traditionele uitvoeringen zullen hun tanden wel stukbijten op De Leeuws vrijgevochten, volstrekt onafhankelijke aanpak. Misschien zijn er van Antigone evenveel interpretaties mogelijk als er zandkorrels op de speelvloer liggen; De Leeuw heeft daar de zijne aan toegevoegd. Het is meteen de meest elementaire, waaruit elke psychologische duiding en complexiteit is weggesneden. Zijn Antigone is het rechttoe rechtaan verhaal van de jonge vrouw Antigone die in opstand komt tegen haar oom, koning Creon van Thebe.

Inzet is de begrafenis van haar gesneuvelde broer Polynices. Van Creon mag hij niet op eerbiedwaardige wijze begraven worden wegens verraad; Antigone wil met gepast rouwbetoon afscheid nemen. Ze slaagt daarin, wordt betrapt en tot slot veroordeeld tot opsluiting in een kerker. Daarmee eindigt De Leeuws versie. Bij Sophocles pleegt Antigone nog zelfmoord, juist op het ogenblik dat Creon tot inzicht kwam van zijn verkeerde beslissing. De blinde profeet Tiresias die Creon overtuigt, is weggesneden uit de opera, evenals de zelfmoord van Antigone's verloofde Haemon en die van Creons echtgenote Euridyce.

Sophocles lokt de toeschouwer in de valkuil van de twijfel. Met wie moet ik mededogen hebben? Natuurlijk, met Antigone, un oiseau rebelle. Maar voor Creon is evenveel te zeggen. Hij handhaaft orde en recht, en wordt voor een enkele daad gruwelijk gestraft. Twijfel over goedheid of slechtheid gunt Ton de Leeuw ons niet. Creon is een booswicht, een dictator. Antigone een herosche Jeanne d'Arc, een dissidente en martelares. Eigenlijk is dit Antigone I. De werkelijk morele problemen komen pas in deel II aan bod, dat de sympathie voor Creon wekt. Dat krijgen we niet te zien.

Antigone staat in de reusachtige ruimte geheel alleen. Verspreid over de speelvloer liggen koffers en doodskisten, die zojuist van een tot stilstand gekomen vrachtwagen lijken getuimeld. Het zijn de ikonen van menselijke lotgevallen in tijden van oorlog. Ze symboliseren de willekeur waarmee met de bezittingen van de mens en met de mens zelf wordt omgesprongen, zelfs een laatste rustplaats is niemand vergund.

Op een doodkist staat een helm met pluim. Daarheen sleept Antigone op het dramatische hoogtepunt haar dode broer, Polyneices. Wit, vuil verband omzwachtelt het lijk; een been is zwart aangevreten. Ze denkt dat niemand haar ziet in het duister. Ineens rent iemand met flitsend zoeklicht van een lantaarn rond en betrapt haar. Het is de zaalwachter, die vanuit een hokje waar een voetbalelftal aan de wand prijkt alles gadeslaat. Hij waarschuwt Creon en de soldaten. De deuren zwaaien open, een lichtbundel snijdt naar binnen, en Antigone wordt weggeleid.

Muziek en de enscenering van regisseur André Engel maken dit moment tot iets huiveringwekkends en spookachtigs. Als toeschouwer ervaar ik, met Antigone, de angst en de daaropvolgende radeloosheid betrapt te zijn. Die zaalwachter is een dramatische vondst. Veilig beschut in zijn portiersloge aarzelt hij niet Antigone te verraden. Tegelijk wast hij zijn handen in onschuld.

Antigone delft bij voorbaat het onderspit. Zij staat, eenzaam, tegenover Creon die als een veelkoppig monster van zo'n dertig identiek geklede koorleden is uitgebeeld. Zwarte hoed, strak kostuum. Gangsters. Ook Antigones verloofde Haemon deelt zijn rol met een stoet anderen. Ze dragen feestkleding want 's avonds zou het bruiloft zijn. In een felle dialoog tussen zoon Haemon en vader Creon over het lot van Antigone naderen de twee groepen elkaar steeds dichter, tot ze slaags dreigen te raken. Het is een simpele zwart-wit constructie van goed tegenover kwaad, die desondanks emotioneel effect heeft. Zij vertegenwoordigen de machtsblokken die de wereld beheersen en waartussen het individu (Antigone) wordt vermalen.

Muziek en regie bestaan uit tal van krasse contrasten. Haar slotaria zingt Antigone staand tegen de oneindig hoge muur, ze lijkt nietiger en nietiger. De god van het dodenrijk Hades, wat al te folkloristisch uitgebeeld als een minotaurus, vergrendelt haar tot slot in een holle pilaar, waarvan het ijzeren slot koud knarsend dichtvalt.

Deze Antigone is een ritueel en sacraal spel, dat de toeschouwer moet ondergaan. Het zand, het steen, het verglijden van het licht, de urn met zand waarmee Antigone haar broer bedekt: allemaal elementen die de suggestie wekken van tijdloosheid. Lijnrecht daartegenover staan dan de muziek en de aankleding, weliswaar uit deze tijd maar tegelijk aan die tijd ontstegen. Het zijn geen concrete beelden van oorlog - zo schoon en geschaafd zijn doodskisten in een oorlog vast niet.

Tegelijkertijd s de voorstelling de oorlog, en vooral de dreiging van hoge, onzichtbare machten die over de mens beslissen. Hiermee is de voorstelling ook een politieke aanklacht. Of, vertaald in het lot van Antigone: haar angst voor de aanflitsende zaklantaarn in de nacht. Er is geen beschutting en veiligheid. Dit is het aangrijpende besef dat de Antigone van De Leeuw en Engel oproept.