De laatste priester uit het parlement; Profiel van DAVID VAN OOIJEN

David Adriaan Theodorus van Ooijen werd in 1968 tot rooms-katholiek priester gewijd, maar pas vorige week begon zijn kerkelijke carrière. Het Eerste-Kamerlid voor de PvdA werd gekozen tot "provinciaal' van de Nederlandse dominicanen. “Omdat ik 21 jaar lang wetten heb gemaakt, weet ik hoe relatief regeltjes zijn.”

Een half uur na de verkiezing van pater David van Ooijen tot "provinciaal' van de Nederlandse dominicanen, komt er in het dominicaner klooster in Huissen (bij Arnhem), waar het kiescollege vergadert, een fax uit Rome binnen. De magister-generaal, de hoogste gezagsdrager in de dominicaner orde, verklaart zich akkoord met de keuze. De snelle goedkeuring verbaast niemand, al staat Van Ooijen wijd en zijd bekend als een zéér vooruitstrevende pater. In de sterk gedecentraliseerde en gedemocratiseerde orde der dominicanen, die net als de andere kloosterorden los opereert van bisschoppelijke hiërarchie, bezitten de provincies grote autonomie. Lokale besluiten worden vrijwel altijd gesteund door de "generaal' in Rome.

Maar wel ongewoon is dat nog dezelfde dag, vandaag een week geleden, de nieuwe provinciaal - net als de andere aanwezigen voor deze gelegenheid gekleed in de lange witte dominicaner pij - de voorzitter van de socialistische fractie in de Nederlandse Eerste Kamer opbelt. Helaas, zo meldt Van Ooijen, de nieuwe functie die hem onverwacht ten deel is gevallen, zal erg veel tijd gaan kosten. Daarom zal hij per september afstand moeten doen van zijn Kamerlidmaatschap.

Het vertrek van de laatste priester uit het Nederlandse parlement wordt betreurd. Voorzitter Schinck van de PvdA-fractie in de senaat: “In feite voldoet Van Ooijen precies aan het stereotype van een senator: minzaam, eerder scherpzinnig dan scherp, en met veel politieke ervaring. Hij kan ook goed zijn rug rechten, laatst nog in een debat met minister Ritzen. Van Ooijen keerde zich toen, als enige in de Kamer, heel stellig tegen Ritzens betoog voor meer normen en waarden in het onderwijs. David vond dat geen taak voor de overheid. Heel opvallend, terwijl hij zogezegd zelf de bijbel met zich mee draagt.”

Als politicus is Van Ooijen vooral opgevallen als priester. Toen hij in 1986 na vijftien jaar uit de Tweede Kamer vertrok zei hij dan ook te betreuren dat zijn priesterschap de aandacht vaak afleidde van zijn activiteiten als fractiespecialist voor het minderheden- en het onderwijsbeleid. In het dagelijkse Kamerwerk speelde Van Ooijens priesterschap nauwelijks een rol. “Alles went. Er zaten in de Kamer wel meer mensen met een afwijkende achtergrond”, zegt oud-Kamerlid Rie de Boois (PvdA), die veel met Van Ooijen optrok. Van Ooijen onderscheidde zich politiek vooral door zijn bijzondere aandacht voor de woonwagenbewoners en door zijn jarenlange voorzitterschap van de Kamercommissie Onderwijs.

In zijn partij staat hij bekend als "een man van de basis', typisch een man voor een districtenstelsel. Voormalig Eerste-Kamerlid Meine Pit was jarenlang voorzitter van het gewest Gelderland in de tijd dat Van Ooijen namens dat gewest op de kieslijst stond. Pit: “Hij ging elke maand gemeentebesturen in het rivierengebied langs, van Geldermalsen tot Nijmegen. Hij kende alle partijafdelingen. Op verkiezingstournees was hij weinig uitbundig, maar hij wist altijd alles en hij kende iedereen. Wat hij in de Kamer deed was niet spectaculair, maar voor het rivierengebied was hij van groot belang. Hij was dag en nacht onderweg. In feite kende hij geen rem.”

Bij de opstelling van de PvdA-kandidatenlijst voor de Eerste Kamer in 1991 werd Pit zelf nog het slachtoffer van deze “ijzeren positie” van Van Ooijen. “Het ging er om dat hij of ik op de tweede plaats van de gewestelijke lijst zou komen, die nog net verkiesbaar was. Mensen kwamen toen naar mij toe en zeiden: ik zou wel op jou willen stemmen, maar ja, je stemt niet tegen David.”

In het Gelderse rivierengebied liggen Van Ooijens politieke wortels, ook al werd hij in 1939 geboren in een arbeidersmilieu in het Westland. Na een opleiding tot onderwijzer trad hij in 1961 toe tot de dominicaner orde, wegens haar democratische organisatie en studieuze inslag. In 1966 werd hij lid van de PvdA, toen hij in Nijmegen studeerde en als vormingswerker werkte in Huissen, waar hij ook in het klooster verbleef. Ondanks de snelle veranderingen in de katholieke kerk van die tijd, was een pater als PvdA-lid zeer ongewoon, zeker als die ook nog politiek actief was. In 1968 meenden de in Huissen wonende Nijmeegse studenten die een plaatselijke PvdA-afdeling wilden oprichten, dan ook dat er een fout was gemaakt toen ze op de ledenlijst het adres van het dominicaner klooster zagen staan. Maar ze kwamen er snel achter dat zich daar achter de kloosterdeur een meestal in coltrui gekleed bestuurslid van het PvdA-gewest verborg. En samen met Van Ooijen werd toen het Progressief Akkoord Huissen gesmeed, de eerste echte partij in het katholieke dorp, waar voordien, zoals in veel katholieke gebieden, bij gemeenteraadsverkiezingen alleen maar met persoonlijke lijsten was gewerkt. Het initiatief greep diep in in het dorp. Er werden huis aan huis pamfletten verspreid tegen "die rooie pater'.

Leo Gerichhaus, een van de Huissense PvdA-studenten, herinnert zich dat Van Ooijen ondanks zijn betrokkenheid bij de vernieuwing totaal niet meedeed aan het generatieconflict in de PvdA dat Nieuw Links in die tijd cultiveerde. “Er was toen een ouderwetse gewestelijk voorzitter die kort daarop naar DS'70 is gegaan. Het viel op dat David die man altijd heel menselijk benaderde en mild beoordeelde. Hij probeerde altijd te verzoenen. Hij was wel ambitieus, maar niet ten koste van anderen.” De latere gewestelijk voorzitter Pit: “Er ontstond toen heel sterk het gevoel van een doorbraak: nu moet het lukken om de katholieke kiezers te winnen! Op dat moment kon Van Ooijen in de partij alles krijgen wat hij wilde: Eerste Kamer, Tweede Kamer, Provinciale Staten.”

In de Tweede Kamer, waarvan hij in 1971 lid werd, viel Van Ooijen minder op. Oud-Kamerlid De Boois: “Hij behoorde tot het uiterst deskundige voetvolk. Maar hij had iets ongrijpbaars. Je sprak privé met hem eigenlijk nooit over politieke onderwerpen en dat is het grootste compliment dat ik een Tweede-Kamerlid kan maken.” Veel Kamerleden kwamen met persoonlijke problemen bij Van Ooijen, op zoek naar een luisterend oor. In de raadgevende vergadering van de Raad van Europa, waarvan hij jarenlang lid was, nam hij bij sommige parlementariërs de biecht af. En Van Ooijen voltrok in 1983 het katholieke huwelijk van de toenmalige VVD-leider Ed Nijpels. “Politieke munt kon je daar natuurlijk nooit uit slaan” aldus Van Ooijen, “maar je bouwde op die manier gemakkelijk relaties op over de partijgrenzen heen.”

Over zijn politieke activiteiten had Van Ooijen nooit last met zijn superieuren. “Ik heb daarover nooit brieven gehad uit Rome”, aldus de nieuwe dominicaanse provinciaal. Van Ooijen profiteerde van de bescherming door zijn progressieve orde. Ooit kwam Van Ooijen op een congres de magister-generaal van zijn orde tegen, die hem zei: “Zolang je geen conflict krijgt met de Nederlandse bisschoppen zul je van mij geen last hebben. Het zou niet goed zijn als iedere pater in de politiek ging, maar nu jij het doet leren we die wereld tenminste ook eens kennen.” Natuurlijk hadden de bisschoppen in Nederland, die vanaf de benoeming van bisschop Gijsen in 1971 steeds conservatiever werden, het de progressieve dominicaan op allerlei manieren moeilijk kunnen maken, maar Van Ooijen vermoedt dat vooral zijn PvdA-lidmaatschap hem daarvan gevrijwaard heeft. Een aanval op hem zou door buitenstaanders immers al gauw genterpreteerd zijn als een aanval op de PvdA, en dat zou een verkeerde indruk geven.

Vooral rond de abortuswetgeving had Van Ooijen het moeilijk in de politiek, en in de kerk. Bram Stemerdink zat jarenlang met hem in de fractie: “Hij had grote moeite met de mensen die gemakkelijk over abortus praatten. Bij hem was het een heel moeilijke afweging en je kreeg de indruk dat het ook voor anderen niet gemakkelijk mocht zijn.” In 1979 liet Van Ooijen zich zeer bitter uit over bisschop Gijsen, die had gezegd dat wie meewerkt aan een wet die abortus legaliseert geen lid meer kan zijn van de christelijke gemeenschap. “Een gevaarlijke prutser” noemde Van Ooijen de bisschop toen. “Bovendien laat ik me als politicus niet door zo'n vlerk beledigen.” Van Ooijen legde in die tijd keer op keer uit dat de bisschoppen uitgaan van een ethische norm die door hem en “vrijwel iedereen” gedeeld wordt, maar dat die norm niet zomaar in een wet kan worden vastgelegd die “hanteerbaar” is. Want soms moet worden gekozen voor een minder kwaad - legalisering - om een groter kwaad - illegale, levensgevaarlijke abortussen - te vermijden.

In zijn persoonlijk leven kwam Van Ooijen wel in de problemen met Rome. In 1978 besloot hij het klooster Huissen te verlaten en samen met een echtpaar, twee homofiele studenten, een dominicanes en drie andere dominicanen een alternatieve dominicaanse leefgemeenschap te vormen. Met de dominicanes was hij al jaren bevriend, “nog voordat ik dominicaan werd zelfs, maar een breuk met het celibaat is het nooit geweest”. Vanuit conservatief katholieke kring kwam de gemeenschap onder zwaar vuur te liggen. “Een liefdesnestje” noemt J. Leechburch Auwers, bestuurslid van diverse katholieke stichtingen, de groep nog altijd. Er gingen beschuldigende brieven naar Rome. Na overleg met de magister-generaal besloot Van Ooijen in 1982 te vertrekken, “omdat dat de enige manier was om mijn onschuld te bewijzen”. Van Ooijen kreeg veel anonieme scheldbrieven en nog altijd wordt hij geregeld midden in de nacht opgebeld door mannen die hem voor “homofielenvriendje” uitmaken.

Dat hij in 1982 alleen ging wonen bood overigens ook voordelen. “Vanwege het Kamerwerk was ik doordeweeks altijd weg en dus viel op mij de taak om op zondag te koken. Dat was een geweldige last, ook al omdat er op zondag altijd veel gasten waren.” Sindsdien woont de pater in een eengezinswoning in Arnhem-Zuid, met een grote tuin waar hij rozen, Chinese boontjes en komkommers kweekt.

Eigenlijk wilde Van Ooijen al in 1982 de Kamer verlaten, maar pogingen om een baan in kerkelijke kring te vinden - “ik dacht dat er aan iemand met zoveel bestuurlijke ervaring als ik wel behoefte zou zijn” - stuitten op een grote weerstand tegen de vrijzinnige priester.

In 1986 hielp minister Deetman hem uit de brand met een benoeming in het college van bestuur van de Open Universiteit. Het viel tegen: hij werd er verantwoordelijk voor het personeelsbeleid en de pater beleefde slechts “partieel vreugde” aan technische kwesties als functiewaarderingen. In 1987 werd hij Eerste-Kamerlid, maar het OU-werk liet hem er maar weinig tijd voor. In 1991 nam hij ontslag bij de universiteit om zijn proefschrift over het Nederlands woonwagenbeleid te voltooien.

Waarom is hij nu door het kiescollege tot provinciaal van de dominicanen gekozen? Sowieso ligt Van Ooijen voor de hand omdat hij nog altijd behoort tot de jongeren van de circa tweehonderd dominicanen, van wie meer dan de helft al AOW heeft. Maar er is meer. Pater Harry Salemans (70) uit Utrecht noemt de volgende punten: “Hij heeft een zeer democratische instelling, hij laat iedereen boven water komen. En hij zal de lijn van het voorafgaande bestuur voortzetten. Rome wil de katholieke traditie onveranderd voortzetten, maar wij beschouwen die traditie als tijdsbepaald, en daarom willen we met die vormen, zoals het celibaat, creatief omgaan, passend bij deze tijd. En wij weigeren de mentaliteit van Befehl ist Befehl, en op dat punt voelen wij ons bij David heel erg thuis.”