De ander

Onlangs ging ik in het Teylers Museum De Tentoongestelde Mens bekijken, een expositie over de bezienswaardige ander. De reuzen, dwergen, dikke dames, mismaakten en exoten brachten mij als bezoeker terug in de tijd. Het was begin jaren zestig in Amsterdam, een toen nagenoeg blanke stad. Daar was ik komen wonen. Er was indertijd nog geen behoefte om die paar in Holland woonachtige donkerkleurige vreemdelingen te herdopen tot allochtonen, minderheden of medelanders. Mijn broer en ik waren de enige negers op de MULO in Oost.

Op een dag ging ik in schoolverband naar de Schouwburg. Daar zou een Senegalese dansgroep optreden.

Op het podium verschenen zwarte meisjes van mijn leeftijd, een jaar of dertien, veertien en net als ik al volgroeid tot vrouw. Zij waren blootsvoets en op een raffiarokje na naakt. Kralen kettingen versierden hun hals, polsen en enkels. Het immer meeslepende ritme van drums bracht de danseressen in vervoering. Hun blote borsten schudden dat het een lieve lust was. Ik kreeg het benauwd in mijn zwarte coltrui, het kledingstuk dat hoorde bij de “Pleiners”, een jongerengroep die bekend stond om hun voorliefde voor jazz. Met die Pleiners voelde ik me op afstand verwant. Ze waren in ieder geval tegengesteld aan de “Dijkers”, met hun vetkuiven, fietskettingen en buitensluitende blankigheid.

Tijdens de voorstelling keek ik om me heen. Onder het schouwburgpubliek bevonden zich opmerkelijk veel mannen met baarden, in die tijd een teken van artisticiteit.

In de pauze werd ik aangesproken: “Die lichamen, die lenigheid, dat is bij jullie toch anders dan bij blanke vrouwen.”

Kunstschilder was hij. Of ik zijn model wilde zijn. Zijn blik boorde dwars door mijn coltruitje. Ik voelde me ook door andere schouwburgbezoekers danig aangegaapt en vermeed ieder oogcontact uit angst dat in mijn ogen de ontreddering viel af te lezen.

Dezelfde gemoedstoestand overviel me na zo veel jaar in het Teylers Museum. Ik bleef hangen bij een vitrine met foetussen op sterk water in glazen potten: een cycloopje, een Siamese tweeling, een vrucht met een waterhoofd en ook waren er twee, op het oog voldragen, gave mensenkinderen tentoongesteld. Het ene was een Indiaantje, exotisch opgetuigd met een veren tooitje op het hoofdje en kralen om hals en polsen. Het andere was het lichaampje van een negermeisje dat voor kort tot de collectie van de dierentuin Artis behoorde. Waarom daar niet meer en hier nu wel? Misplaatst dreven de geweckte waterbaby's in hun flessen.

Bezwaard zette ik mijn gang voort. Een kleurenlitho trok mijn aandacht: “De vrouwen van Dahomey.” Monsterlijk waren de vrouwen niet en mismaakt al evenmin. Toch was de prent voor vertoning uitverkoren. Zulke uitheemse wezens werden een mensenleven geleden als bezienswaardigheid in circussen en kermissen te kijk gezet. Hier werd hun afbeelding nu tentoongesteld. Het onderschrift vermeldde: “Een combinatie van erotiek en geweld werd benadrukt in de zeer tot de verbeelding sprekende groep Amazones uit Dahomey onder leiding van hun aanvoerders Marmona en Zamba.” Voor het mannelijke publiek zal het prettig griezelen zijn geweest in de veilige wetenschap dat het letterlijk en figuurlijk ver van hun bed was.

Het museumpubliek was blank en recht van lijf en leden. Er waren daar geen reuzen, dwergen, monsters of mismaakten. Geen mens uit Lilliput, geen wezen uit het mythologisch rijk. Niemand was andersoortig. Ik was de enige ander.