Commissaris krijgt te summiere bedrijfsgegevens; Het ontbreekt commissarissen vooral aan goede informatie over de onderneming; Het recht op voordracht zou desnoods omgezet kunnen worden in een recht op benoeming

De macht van de commissaris bij de grote onderneming (de zogeheten structuurvennootschap) moet worden beperkt, is de gedachte die wordt geopperd door mr. F. Bolkestein, VVD-fractieleider in de Tweede Kamer, (NRC Handelsblad, 15 juni). Het middel dat hij daartoe wil aanwenden doet niet verrassend aan voor een VVD-politicus: de controle van de aandeelhouders (het kapitaal) vergroten. Een tweede mogelijke oplossing: de controle van de factor arbeid (de werknemers) vergroten wordt niet genoemd.

Een van de duidelijke doelstellingen bij de invoering van de Structuurwet (1971) was om de democratisering van de grote onderneming te bevorderen. Men heeft dit getracht te bereiken door de Raad van Commissarissen (RvC) controle-bevoegdheden te geven over belangrijke beslissingen van het Bestuur van de vennootschap (RvB). Controleren van de macht gebruikt als democratiseringsmiddel. Voorts is getracht de twee belangrijkste partijen (kapitaal en arbeid) - in de vorm van de algemene vergadering van aandeelhouders en in de vorm van de OR - indirecte invloed te geven via recht op voordracht van kandidaat-commissarissen en recht van bezwaar tegen voorgedragen kandidaten.

Naast het democratiseringsdoel heeft het commissariaat ook andere doelen. Artikel 140/250 van Boek 2 BW noemt: “toezicht houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de onderneming” en “staat het bestuur met raad terzijde”. Men zou dit de zakelijke of bedrijfskundige doelen van de RvC kunnen noemen.

Dat de RvC niet heeft gefunctioneerd zoals beoogd illustreert Bolkestein aan de hand van enkele recente incidenten. Ook uit de jaren tachtig zijn dergelijke incidenten bekend, zoals de RSV-affaire en de ontwikkelingen van het Bredero-concern.

Niet alleen in de pers, maar ook in wetenschappelijke publikaties is toen het minder optimaal functioneren van de RvC geregistreerd. Te noemen zijn publikaties van Honée (1986), De Jongh (1987) en ondergetekende (1988). Overigens wijzen die publikaties ook op de nuttige bedsrijfskundige effecten van de RvC in andere gevallen.

Wat is er dan verder mis aan het functioneren van de RvC? Op grond van de bevindingen in deze publikaties kan men stellen dat Bolkestein de plank niet zover mis slaat: er is een consensus ontstaan tussen bestuur en commissarissen; commissarissen zijn niet actief kritisch. Men zou kunnen zeggen dat de RvC te weinig toezicht houdt en zich beperkt tot het geven van goede raad. Of dit voortkomt uit gemakzucht zoals Bolkestein suggereert, mag worden betwijfeld. Commissarissen zullen het erop houden dat zij zich ervoor hoeden “op de stoel van de directie te gaan zitten”.

Het vervullen van teveel commissariaten zal de kwaliteit niet ten goede komen, zelfs niet van goed bedoelde raad. Waar het commissarissen echter vooral aan ontbreekt is goede informatie over de onderneming. De RvC kent veelal maar één informatiebron: de directie. Informatie uit één bron is per definitie eenzijdig. Bovendien is de informatie goeddeels statisch van aard. Het zijn de gestolde cijfers van de afgelopen periode, aangevuld met prognoses voor de komende periode en voorzien van commentaar van de directie. Een directie, die zelf ook een goede beurt wil maken. De commissarissen van hun kant willen niet al te beroerd zijn, want tenslotte komt de directie “uit de eigen kring”. Naast gebrek aan informatie over de feitelijke bedrijfsprocessen is dus een ander probleem dat de commissarissen uit zo'n beperkte kring gerecruteerd (kunnen) worden.

Deze oorzaken lijken weinig van doen te hebben met de oorzaken zoals Bolkestein die ziet: aandeelhouders die de commissarissen niet ter verantwoording kunnen roepen. Beschikken die aandeelhouders dan over betere informatie?

Bolkestein noemt verder als oorzaak een gedestabiliseerde economie door uitgeholde eigendomsrechten. Dit fenomeen gaat mijn waarneming te boven. Wat de samenstelling van de RvC betreft zouden zowel aandeelhouders als ondernemingsraad bewuster gebruik moeten maken van hun recht op voordracht van kandidaten en hun recht op bezwaar tegen voorgedragen kandidaten. Het recht op voordracht zou desnoods omgezet kunnen worden in een recht op benoeming.

Voor het belangrijke probleem van de informatie hoeft de oplossing ook niet zover van huis gezocht te worden. Het Nederlandse bedrijfsleven kent een genstitutionaliseerd orgaan dat goed op de hoogte is van de lopende bedrijfsprocessen: de OR. Wat ligt meer voor de hand dan dat de RvC zijn licht zou opsteken bij de OR om tot een evenwichtige oordeelsvorming te komen? Uit onderzoek blijkt dat dit slechts zeer weinig gebeurt. Aan de wettelijke halfjaarlijkse verschijn-plicht van commissarissen in de overlegvergadering van de OR met de bestuurder wordt sporadisch de hand gehouden. Bovendien zijn in dergelijke vergaderingen de commissarissen slechts “te gast”. Een commissaris wil zijn bestuurder niet voor de voeten lopen en laat dus het overleg aan de bestuurder over. Van zelfstandige informatie-inwinning komt zo niets terecht.

Het zou een aanzet tot verbetering van het functioneren van de RvC zijn, als er een wettelijke verplichting zou komen, dat de RvC halfjaarlijks overleg heeft met de OR. Bij een dergelijk treffen zou de directie niet aanwezig moeten zijn. Dit laatste is uiteraard een gevoelig punt. De zogeheten driehoek aan de top van een onderneming: RvB, RvC en OR kan echter alleen goed functioneren als de raden elkaar afzonderlijk ontmoeten. Deze ontmoetingen zullen ten goede komen aan zowel het democratiseringsdoel als aan het bedrijfskundig doel van het commissariaat.