Breukink kampioen in belang van Nederlandse wielersport

MEERSSEN, 28 JUNI. Als er anarchie dreigt in het peloton, stellen de kopmannen zelf wel orde op zaken. Dat is de taak van kopmannen. Dat is wat hen van knechten onderscheidt.

Zo kon het Nederlands kampioenschap dat gisteren de onttakeling van het vaderlandse wielrennen demonstreerde, toch nog eindigen in een hoogstaande finale met een vedette als winnaar. Nog wel Erik Breukink, de kampioen van de lange wimpers en de grote beloften. Rijdend voor het Spaanse Once, rugnummer elf. Zonder ploeggenoten was hij aan de start verschenen, de eenling van nature. Met zijn echtgenote Gea - strakgesneden truitje, grote gouden oorbellen - als enige begeleider.

Zij was het die hem op de verzorgingsplaats de drinkbussen en het voedsel had aangereikt. Ze had geen één keer gemist, zei ze trots na afloop trots. Zij was het ook die hem tijdens de wedstrijd bemoedigend had toegeroepen. “Aanvallen”, had ze in de laatste ronden geschreeuwd. Want haar Erik had het bij dit kampioenschap zonder ploegleider moeten doen. Ook zonder volgauto. Over zijn reservefiets had Histor-Laser, de ploeg van Peter Post, zich vriendschappelijk ontfermd. Post heeft altijd een zwak voor Breukink gehad.

Wat hem de afgelopen jaren niet lukte, massaal gesteund door een sterke PDM-ploeg, daarin slaagde hij gisteren als solist. De afgelopen drie jaar was hij niet verder gekomen dan een vijfde en twee derde plaatsen. Maar gisteren schudde hij met een demarrage in de straten van Meerssen, vlak voor de slotbeklimming van de één na laatste ronde, ook de laatste belagers van zich af.

Hij had die plaats om toe te slaan zorgvuldig uitgekozen. Hij wilde niet wegspringen in de beklimming. Dat lag te veel voor de hand. Daar zouden zijn medevluchters te veel op verdacht zijn geweest. Daarbij zou Steven Rooks hem al te makkelijk hebben ingehaald. Nee, in een onschuldige dorpsstraat sloeg hij toe. Speculerend op het moment van verwarring dat zou ontstaan, als zijn concurrenten elkaar eerst even zouden aankijken alvorens in de achtervolging te gaan.

Wanneer Frans Maassen en Rooks en Maarten den Bakker daarna alsnog eendrachtig hadden samengewerkt, zou Breukink kansloos zijn geweest. Want hij was “niet meer zo fris”. Eigenlijk had hij er “finaal doorheen gezeten”. Daarom had hij in die laatste ronde ook steeds weer achterom gekeken, “toch wel onzeker, toch wel met schrik”. Maar de achtervolgers hadden “te veel naar elkaar zitten kijken”, zei Rooks na afloop. Ze hadden geen van allen het uiterste van hun krachten willen vergen, omdat ze dan bij voorbaat kansloos zouden zijn geweest aan de streep. En waarom een ander aan de zege helpen?

Zo kon Breukink naar zijn eerste Nederlandse titel rijden. Dankzij de dubbelhartigheid van zijn belagers. Dankzij zijn vorm van de dag. Maar in de eerste plaats dankzij de combine die hij met andere Nederlandse vedetten had gevormd. Uit lijfsbehoud. Ook in het belang van het Nederlandse wielrennen, zei Maassen achteraf.

De kopmannen hadden geleerd van vorig jaar toen dreigende massawerkloosheid onder Nederlandse renners had geleid tot grote onrust en onbeheersbare aanvalsdrift. Vanaf de start was het peloton niet te houden geweest. Aanval volgde op aanval en kopmannen hadden niet meer kunnen vertrouwen op hun eigen knechten. Ieder reed voor zich. Uiteindelijk had outsider Tristan Hoffmann bekwaam van die chaos geprofiteerd.

Het gevaar van herhaling, van weer zo'n oncontroleerbare wedstrijd met weer zo'n verrassende winnaar, was dit jaar levensgroot aanwezig. In vroeger jaren hadden dominante ploegen als PDM, Panasonic, TVM en Buckler het kampioenschap nog kunnen reguleren. Maar dit seizoen is het aantal Nederlandse ploegen gehalveerd tot WordPerfect van Jan Raas en TVM van Cees Priem. En de Nederlandse renners die elders hun toevlucht zochten, zijn naar alle windstreken uitgewaaierd. De 57 coureurs die gisteren om de titel streden, vertegenwoordigden 22 ploegen, over acht Europese landen verspreid.

Die fragmentatie vroeg om ordening, deze versplintering eiste pact-vorming. Dat stond voor Frans Maassen van meet af aan vast. Misschien verrassend omdat Maassen nog altijd de steun had van zes ploeggenoten. Maar hij besefte ook wel dat zijn ploeg niet in staat was de wedstrijd naar zijn hand te zetten. Met twaalf renners was TVM getalsmatig sterk in de meerderheid.

Dus sloot Maassen al snel na het begin van de wedstrijd een monsterverbond met Breukink, waarin andere eenlingen als Adri van der Poel van de Italiaanse Mercantone Uno-formatie zich moeiteloos voegden. Om de beurt pareerden ze de aanvallen, eerst van TVM, later van de moedige Telekom-eenling Marc van Orsouw. Met als doel gezamenlijk de finale te halen en dan onderling te kampen om het kampioenschap. “Om toch weer een goeie winnaar te krijgen”, zei Maassen. “Niets ten nadele van Tristan Hoffmann uiteraard.”

Rooks werd niet gewaarschuwd. “Die let toch wel op”, was de uitleg van Maassen. “Die stemt zijn wedstrijd toch altijd op anderen af.” En ook de jonge garde - Eddy Bouwmans, Danny Nelissen - bleef onwetend. “Je moet het niet iedereen vertellen als je afspraken maakt.”

TVM was de grote verliezer. Goed voor eenvijfde van het rennersveld, dat ook nog bestond uit veldrijders en zesdaagse-renners. Maar in de slotronden alleen vertegenwoordigd door Maarten den Bakker, eenling te midden van de eenlingen. Zijn ploeggenoot Gerrit de Vries had toen in de achtervolging van Marc van Orsouw, die 80 kilometer op kop had gelegen, al alle krachten verspeeld. Zijn kopman Gert-Jan Theunisse, door Priem verplicht tot starten ondanks een hardnekkige kontblessure, was al drie uur afgestapt. Aangepast zadel en gelei in zijn fietsbroek hadden zijn lijden alleen maar gerekt.

“Een Nederlands kampioenschap is zo'n titel die je op je lijst wilt hebben staan”, zei Breukink na afloop. Ook al heeft zijn werkgever er nooit een geheim van gemaakt dat hij die nationale titels een twijfelachtig genoegen vindt. Vaderlandse kampioenen worden namelijk in de Tour de France verondersteld in kampioenstrui te verschijnen. Dat betekent minder millimeters shirtreclame voor de sponsor. “Maar een beetje renner trekt zich daar niets van aan”, verklaarde Breukink. “Tevoren hebben we gefantaseerd hoe het zou zijn als Zülle kampioen van Zwitserland zou worden, en Jalabart van Frankrijk, en ik van Nederland. Ze waren gek geworden bij Once.”

    • Dick Wittenberg