WILLIE WORTELS WONDERE WERELD

Uitvinders van het dagelijks leven 1 door Marcel Grauls 151 blz., gell., Coda/Helmond 1993, f 24,50 ISBN 90 5232 079 9

De letters van het woord "typewriter" bevinden zich alle op de bovenste rij van het QWERTY-klavier van de schrijfmachine. Dat is geen toeval. Uitvinder Christopher Latham Sholes, die in 1867 de eerste schrijfmachine ontwierp - het ding was toen nog zo groot als een koelkast - had bedacht dat het de verkoop zou stimuleren wanneer vertegenwoordigers in het bijzijn van klanten het woord "typewriter" heel snel konden tikken. De letters van dit woord verspreidde hij dusdanig over de bovenste rij toetsen, dat de hamertjes bij een vlotte aanslag niet gauw in elkaar verward zouden raken.

Zeven jaar later was Mark Twain de eerste schrijver die zich in een winkel in Boston liet imponeren door de inmiddels veel kleinere versie van een "Sholes & Glidden", waarop een winkeljuffrouw 57 woorden per minuut kon produceren. Thuisgekomen haalde Twain zelf niet meer dan 19 woorden per minuut, en nadat hij het eerste getypte manuscript in de geschiedenis - De avonturen van Tom Sawyer - bij zijn uitgever had ingeleverd, ging hij weer over tot het hanteren van de pen, omdat hij ""de verwijtende blik van de machine niet langer kon verdragen''.

Buiten Amerika was het Leo Tolstoi die als eerste schrijver gebruik maakte van een type-machine. Dat wil zeggen, hij liet zijn dochter er zijn brieven en romans op tikken en creëerde daarmee een nieuw beroep voor vrouwen: dat van typiste. Uitvinder Sholes was op dat moment al door handige financiers en door de voormalige wapenhandelaars Remington op een zijspoor gerangeerd. Kort voordat hij in februari 1890 overleed, was zijn conclusie dat hij zich zijn hele leven had ingespannen ""om niet miljonair te worden''.

Deze gegevens vormen de basis van een van de twintig korte geschiedenissen uit het eerste deel van Uitvinders van het dagelijks leven van de Vlaamse journalist Marcel Grauls (Deel II verschijnt in het najaar). Waarom, hoe en wanneer kwam iemand tot het bedenken van aspirine, balpen, conservenblik, naaimachine, legoblokje, luchtband, scrabble, etcetera etcetera, tot en met de vuilnisbak? Wie waren deze uitvinders en hoe is het hen in hun verdere leven vergaan? De meesten van hen waren tot nu toe praktisch vergeten en komen ook nauwelijks voor in encyclopedieën. Lang niet allemaal hebben ze hun revolutionaire scheppingen te gelde kunnen maken. Sommigen waren hectisch op zoek naar het ei van Columbus, anderen stuitten min of meer bij toeval op een nieuwe vinding in de marge van hun eigenlijke werkzaamheden.

Iemand als Nicolas Conté, portretschilder, chemicus, ballonvaarder, maar bovenal adviseur van Napoleon, kreeg met een niet mis te verstane verwijzing naar de guillotine eenvoudigweg de opdracht om binnen een week een nieuw potlood uit te vinden omdat het grafiet uit Engeland te duur was geworden. Hij vermengde fijngemalen klei met minderwaardig grafiet van het continent en bakte een keramisch potlood. Door de verhouding van het mengsel te variëren kon hij harde en zachte stiften maken, zwarte of minder zwarte. Het Conté-potlood was geboren.

"WIST U DAT?'

Uitvinders van het dagelijks leven is een nieuwsgierig makend en aanstekelijk werkend boekje, met petite histoires van wisselende kwaliteit. Veel informatie hoort thuis in de categorie ""wist u dat?'', en omdat het veelal om alledaagse dingen gaat waarvan de historische achtergrond niet op de verpakking staat, is het antwoord bijna altijd: nee!

Maar als lezer blijf je zitten met vragen. Ik weet nog steeds niet wat aspirine nu precies inhoudt, wél dat ene Felix Hoffmann op 10 oktober 1897 in zijn laboratoriumdagboek heeft beschreven hoe hij acetylsalicylzuur in chemisch zuivere en bewaarbare vorm heeft samengesteld. Grauls boekje is in zekere zin ook misleidend omdat niet alle behandelde personen echte uitvinders waren. Dat geldt bijvoorbeeld voor William Wrigley Jr., zoon van een zeepfabrikant, regelmatig van school gestuurd, maar op latere leeftijd opgeklommen tot kauwgom-miljonair. Wrigley heeft de kauwgom niet uitgevonden, maar er allerlei smaken aan toegevoegd. Hij was een genie in wat men tegenwoordig marketing zou noemen en bezat een bovennatuurlijk instinct op het gebied van personeel-management. Zodoende veroverde hij rond de eeuwwisseling een kauwgom-markt die eigenlijk al verzadigd was. Maar de echte Urheber van de kaakslijtende, mond- en klauwzeer veroorzakende zenuwenprop blijft onvermeld.

Ondertussen blijkt wel dat de inventiviteit van de menselijke soort geen grenzen kent. Zo verwierf de uit Ierland afkomstige William Painter, uitvinder van onder meer een "koppensneller' voor gekookte eieren en een "condoomspoeler', voor zijn 21 tandjes tellende kroonkurk op 2 februari 1892 octrooi nummer 468.258. Volgens Grauls worden tegenwoordig bij het Europese patentbureau in München meer dan 1000 aanvragen per week ingediend om nieuwe vindingen te laten registreren. In de Verenigde Staten worden alleen al aan Amerikanen bijna 100.000 octrooien per jaar toegekend. Vier Japanse firma's lieten in één jaar tijd 4000 patenten registreren.

Grauls keuze voor slechts twintig vindingen is in dat licht vrij arbitrair. Misschien werd zijn keuze bepaald door het raadselachtige lot van sommige Wilie Wortels. Waarom nam Wallace Carothers, uitvinder van het nylon, cyaankali? En wat te denken van de bankbediende George Eastman, uitvinder van de rolfilm, die zichzelf een kogel door het hoofd schoot? Werd de mysterieuze, kille, Ivar Kreuger, de Zweedse luciferkeizer, nu vermoord of pleegde ook hij zelfmoord? Waarom eindigde Denis Papin, de man achter de snelkookpan, in de sloppenwijken van Londen?

Wat Marcel Grauls, in het dagelijks leven eindredacteur bij Het Belang van Limburg, siert, is dat hij over de door hem behandelde genieën en hun scheppingen achter in het boekje een uitgebreide literatuurlijst heeft opgenomen. Degenen die dus echt het naadje van de kous willen weten, krijgen genoeg handvatten aangereikt voor verdere studie.