Volgorde

Zijn ouders zijn dood. Tante, Atje en Lin, de mensen die hem hebben grootgebracht, zijn dood. Zijn schoonouders zijn dood.

Zijn eigen generatie doet het voortreffelijk: zes broers, twee zusters, gemiddeld dik in de zeventig, allemaal gezond. Maar het schild van ouderen is definitief weggerukt.

Mijn vader zit er niet mee. Mijn vader is zo iemand die nooit ergens van wakker ligt. Ikzelf ben zo iemand die niet gauw gelooft dat iemand nooit ergens van wakker ligt.

We gaan aan tafel voor een boterham en ik zeg: “U hebt eens tegen me gezegd: ik hoop dat ik niet alleen kom te zitten.”

“Dat is ook zo”, zegt mijn vader.

“Dan hoopt u dus dat mama alleen komt te zitten”, zeg ik.

Mijn vader schiet in de lach. Mijn moeder zegt: “Maar dat zegt hij tegen mij ook, hoor.”

“En wat denkt u dan?” vraag ik.

“Dan denk ik: dat is een leuke vrijer, die ik heb getrouwd”, zegt mijn moeder.

“Eerlijk”, zegt mijn vader, “we hebben de beste tijd van ons leven. Vorige week, met z'n beidjes naar de dierentuin. En dan komen we thuis en dan zeg ik tegen je moeder: Tineke, meid, deze dag nemen ze ons nooit meer af.”

“Volgens mij”, zegt hij, “gaat iedereen in vrede dood. Er wordt ergens een punt achter gezet. Je lichaam laat het afweten. Ik denk niet dat je dat op zo'n moment nog erg vindt.”