TV-CULTUUR

Het zijn de programma's die het 'm doen. Normen en feiten over de televisieprogrammering in Nederland 1972-1992 door Ben Manschot 214 blz., Otto Cramwinckel 1993, f 45,-- ISBN 90 71894 54 1

Communicatiewetenschapper Ben Manschot vleide zich, blijkens de laatste regels van Het zijn de programma's die het 'm doen, zijn als proefschrift geschreven onderzoek naar de Nederlandse televisieprogrammering van de laatste twintig jaar, met de hoop ""dat de resultaten voldoende nieuwswaarde hebben'. Daarin is hij niet bedrogen uitgekomen. Integendeel, in vrijwel elke krant is kortgeleden op zijn gezag gemeld dat er in de onderzochte periode geen sprake is geweest van vertrossing. Manschot spreekt, als hij het over vertrossing heeft, zelfs van ""één van de populairste folklores in ons land.' Taalkundig bezien is dat onzin, maar de nu gepromoveerde onderzoeker liet over zijn bedoelingen geen misverstand bestaan: het is, meent hij, een fabeltje dat er de laatste twee decennia op de Nederlandse televisie niet meer is voldaan aan het wettelijk voorgeschreven evenwicht tussen amusement, educatie, informatie en cultuur.

""Indien we vertrossing opvatten als quasi-commerciële programmering, dan wijzen de bevindingen uit dat het totale aanbod van de Nederlandse televisie zeker niet vertrost is geweest', aldus Manschots belangrijkste conclusie. Hij onderbouwt haar met veel omhaal van woorden en een groot aantal tabellen, berekeningen en uitsplitsingen, gebaseerd op gegevens van de NOS en programma-aankondigingen in de VARA-gids. Papieren gegevens dus - en daarin schuilt meteen de voornaamste zwakte van het onderzoek. Zo tellen bijvoorbeeld in zo'n schematische analyse heel wat programma's mee als documentaire, ongeacht de reportage-achtige vluchtigheid die tegenwoordig vaak als documentaire wordt geannonceerd. Dat er een kwalitatief verschil bestaat tussen de huidige NCRV-rubriek "Dokument' en de avondvullende programma's die de VPRO ooit uitzond over historische onderwerpen, speelt geen rol. En dat het tv-drama tot in de jaren zeventig, in tegenstelling tot nu, regelmatig gebaseerd was op literair werk (Couperus, Vestdijk, Herman de Man), is evenmin een factor van betekenis. Het zijn, aldus de titel van de handelseditie, de programma's die het 'm doen. Maar wát ze doen, heeft hij niet onderzocht.

Overigens nuanceert Manschot zijn conclusie zelf al door eraan toe te voegen dat het geconstateerde evenwicht tussen de programmacategorieën eigenlijk aan slechts drie omroepen te danken is: NOS, VPRO en EO.De andere hadden de afgelopen twintig jaar de neiging te populariseren. Daarmee noemt hij dan ook net de drie buitenbeentjes in het bestel. De NOS is er onder meer om aan te vullen wat de rest laat liggen, de VPRO vaart een eigen koers en de EO mag zich van de achterban niet overgeven aan de losbandigheid die elders heerst. Dat de EO hoog scoort en de gemiddeldes aanzienlijk heeft opgevijzeld, is geen wonder: de godsdienst valt onder "zware informatie' en de geestelijke liederen mogen in de Manschot-rubricering "kunst' worden genoemd. In werkelijkheid zijn NOS, VPRO en EO geen van drieën de norm van dit bestel; de norm, dat zijn de andere omroepen. En daar zijn de public service-idealen wel degelijk ietwat uit het oog verloren.

Niettemin maakt Manschot zich met veel bombarie vrolijk over al degenen die dachten dat de Nederlandse omroep vertrost was. Niets is minder waar, houdt hij vol, ook al ziet het er de laatste jaren - door de concurrentie van RTL4 - ""iets minder positief' uit. Waarschuwend stelt de onderzoeker tevens vast dat de begrippen informatie en cultuur in de huidige genre-indeling veel te ruim mogen worden ingevuld: talkshows zijn "informatie' en kerkdiensten "cultuur'. ""Uit een oogpunt van kwaliteitsbewaking', betoogt hij, ""is een te rekkelijke invulling een bedenkelijke zaak.'

Dat moge zo zijn, maar met zijn boude (en dubieus onderbouwde) onderzoeksresultaten heeft hij de afgelopen weken heel wat Hilversumse omroepbazen genspireerd tot misplaatste triomf. Zie je wel, konden ze nu zeggen - we doen het helemaal niet zo slecht, de communicatiewetenschapper heeft het zelf gezegd.