Oud zeer; Sudetenduitsers en Tsjechen trachten onder het verleden een streep te zetten

Heel voorzichtig - de kans is groot dat onder het historisch puin nog onontplofte projectielen verborgen liggen - zijn Tsjechen en Duitsers begonnen aan een oefening in Vergangenheitsbewaltigung. Aanleiding is het door de Tsjechische regering genomen besluit een gemengd Tsjechisch-Duitse werkgroep in te stellen die ""bepaalde onduidelijke kwesties'' in verband met de Sudetenduitsers zal bespreken. Ontdaan van alle emoties gaat het om de vraag welk van de twee volkeren het meest "schuld' treft: de Sudetenduitsers, die eind 1938 de tanks van de Wehrmacht toejuichten toen die Sudetenland, het noordelijke deel van het toenmalige Tsjechoslowakije, binnenrolden. Of de Tsjechen, die in 1945 en 1946 meer dan drie miljoen al generaties lang in Bohemen verblijvende Sudentenduitsers de grens overjoegen, terug naar het verwoeste land van hun voorvaderen.

De Tsjechisch-Duitse werkgroep moet niet gezien worden als een forum voor onderhandelingen met de Sudetenduitsers, maar dient er slechts toe een dialoog op gang te brengen. Het betreft ook niet een regeringsdelegatie, zo zei de Tsjechische premier, Václav Klaus: de enige onderhandelingspartner van de Tsjechische regering in Praag zou immers de Bondsregering in Bonn zijn.

Uit de reacties op de instelling van de werkgroep bleek al direct hoe gevoelig de materie ligt. Een van de vier Tsjechische regeringspartijen, de ODA (democratische burgeralliantie), liet, na aanvankelijk te hebben ingestemd, weten er niets voor te voelen om mee te doen. De Sudetenduitse kwestie, zo oordeelde de politieke raad van de partij bij nader inzien, zou vanzelf worden opgelost wanneer Tsjechië lid wordt van de Europese Gemeenschap. In Tsjechische kranten verschenen kritische hoofdartikelen waarin de beslissing een ""schot in eigen doel'' werd genoemd en een ""potentieel gevaarlijke'' poging om het verleden uitsluitend uit een ethisch standpunt te bekijken.

Zware kritiek was er ook op de timing van de instelling van de werkgroep: nog geen twee dagen na de jaarlijkse bijeenkomst van de Sudetendeutsche Landsmannschaft in Neurenberg. Daar had Franz Neubauer, de voorzitter van deze meest invloedrijke vereniging van "Heimatvertriebene', zoals gebruikelijk gehamerd op het recht op terugkeer van de Sudetenduitsers. Bovendien had Neubauer er verkondigd dat het een ""provocatie'' van de Sudetenduitsers zou zijn als Tsjechen en joden wèl schadeloos zouden worden gesteld, maar Sudetenduitsers, die vooral na de Tweede Wereldoorlog ernstig hebben geleden, niet. Neubauer verwachtte weinig van het niveau van de dialoog - aan Tsjechische zijde zijn vooral specialisten en historici met een zekere partijbinding vertegenwoordigd -, maar het was ""in elk geval een begin''.

Sceptici

De andere Duitse reacties waren verdeeld. Edmund Stoiber, de Beierse (CSU-)minister-president, kondigde opgetogen aan dat het Beierse ministerie van arbeid en sociale zaken, waaronder "Heimatvertriebene' ressorteren, zal bijdragen aan de voorbereidingen van de dialoog. Het FDP-Bondsdaglid Josef Grünbeck, zelf Sudetenduitser, beschuldigde Stoibers CSU ervan de Landsmannschaft steeds meer voor politieke doeleinden te gebruiken, maar riep Neubauers vereniging op het Tsjechische aanbod voor een gesprek onvoorwaardelijk te aanvaarden.

Maar er zijn ook sceptici. De 70-jarige in München wonende Rudolf Hilf, een Sudetenduitser geboren in As vlak bij de Duitse grens in West-Bohemen, ziet weinig heil in de dialoog. ""Ik vrees dat de Sudetenduitsers valse verwachtingen hebben, ze hebben in elk geval een verkeerd concept: Heimatrecht en compensatie,'' aldus Hilf, die vroeger in de leiding van de Landsmannschaft zat, maar er wegens meningsverschillen is uitgestapt. ""En de Tsjechen hebben helemaal geen concept. Het zal tot wederzijdse beschuldigingen en verwijten komen en dan zou de atmosfeer aan het einde van zo'n dialoog nog slechter kunnen zijn dan aan het begin.'' Hij meent dat de hele kwestie eerder een morele dan een materiële dimensie heeft. ""Beide partijen moeten zich distantiëren van het gewelddadige verleden en de Sudetenduitsers moeten accepteren dat er geen eigendomskwestie meer bestaat.''

Hilf zou je een "goede Sudetenduitser' kunnen noemen. Hij ergert zich aan de dubbele standaard die de Landsmannschaft hanteert, alsof Sudetenduitsers geen schuld hebben aan de gruwelen van het Derde Rijk. Als voorbeeld noemt hij een recent bezoek van de organisatie aan het concentratiekamp Terezn (Theresiënstadt) in de buurt van Praag. Daar zijn na de oorlog veel Sudetenduitsers omgekomen. ""Er werd toen wèl een krans gelegd voor de omgekomen Sudetenduitsers, maar niet voor de joden.''

Vreemd element

Een streep onder het verleden. Daarover zijn Sudetenduitsers en Tsjechen, als men de kwestie in Noord-Bohemen ter sprake brengt, het wel eens. Maar onder welk verleden, onder wiens verleden en op welk punt in de geschiedenis? Moet de streep worden gezet in de twaalfde eeuw, toen de Duitse migratie naar Bohemen begon, waarna zich in de loop der eeuwen een binationale standenstaat ontwikkelde waarin een Duitse minderheid van drie miljoen samenleefde met zes miljoen Tsjechen? Of ligt de grens in 1918, toen na de ineenstorting van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie de Duitse minderheid plotseling een vreemd element werd in de nieuwe Tsjechoslowaakse, dus Slavische republiek? Aanvankelijk leidde dat tot grote spanningen: 54 Sudetenduitsers kwamen om het leven bij demonstraties in maart 1919 tegen de Tsjechische veiligheidstroepen.

Het streven naar grotere autonomie van democratische Sudetenduitse partijen vond geen gehoor bij de Tsjechoslowaakse regering, waardoor vanaf 1935 Konrad Henleins Sudetendeutsche Heimatfront, dat zich identificeerde met Hitlers leuze Heim ins Reich, steeds meer aanhangers verwierf. Door het verraad van "München' in 1938, toen de meeste Sudetenduitsers enthousiaste bewonderaars waren van Hitler, werd die droom verwezenlijkt: de eerste afrekening kon beginnen. De meeste in Sudetenland wonende Tsjechen, die weigerden Duitser te worden, werden verdreven naar het hartland van Bohemen. Hun bezittingen werden geconfisqueerd, mèt die van de vrij grote joodse minderheid in het gebied.

In 1945 volgde de afrekening: de wraak van premier Edvard Benes tijdens diens jaren van ballingschap in Londen zorgvuldig voorbereid en mogelijk gemaakt door het besluit van de conferentie van Potsdam dat alle Duitsers volgens de these van de "collectieve schuld' verdreven konden worden. Meer dan drie miljoen Sudetenduitsers, van wie de meesten al generaties lang in het gebied hadden gewoond, werden van de ene op de andere dag ontvallen verklaard van alle rechten, hun eigendom werd hun ontnomen en, net als de joden onder de nazi's, werden ze gedwongen een merkteken te dragen, een armband met de N van Nemec (Duitser). Een deel van de weinig overgebleven Duitse joden onderging eenzelfde lot. In de daarop volgende maanden van internering in concentratiekampen en van deportatie kwamen naar schatting 250.000 Sudetenduitsers om het leven, veelal na persoonlijke wraakacties, lynchpartijen en massaslachtingen. Zoals in Úst nad Labem (Aussig), waar een groot aantal Sudetenduitsers in de Elbe werd gegooid.

Revanchisten

Veertig jaar lang heeft de waarheid over wat vlak voor en vlak na de Tweede wereldoorlog is gebeurd met de Sudetenduitsers (en de Karpatenduitsers in Slowakije) uitsluitend een rol gespeeld in de propaganda-oorlog tussen Oost en West. De drie miljoen in de Bondsrepubliek terechtgekomen Sudetenduitsers werden, overigens ook in de Westerse publieke opinie, afgeschilderd als oorlogshitsers en revanchisten. Ze vormden een krachtige, niet door iedereen serieus genomen pressiegroep achter de Beierse CSU van Franz-Josef Strauss. Naarmate hun welstand groter werd en de rangen van de oudere en radicale "Heimatvertriebene' uitdunden slonk echter hun invloed op de politiek van Bonn.

Van de 700.000 in de DDR levende Sudetenduitsers kòn jarenlang niets worden vernomen omdat ze zich niet mochten organiseren. Dat veranderde in 1989. Met de val van het communisme in Midden- en Oost-Europa heeft de Sudetenduitse kwestie, in het bijzonder onder de Oostduitsers, nieuwe zuurstof gekregen: was door de val van het communisme niet de mogelijkheid ontstaan genoegdoening te krijgen voor het historisch onrecht, was de kans niet gekomen om vroeger bezit terug te krijgen? In een brief aan Bondspresident Richard von Weizsäcker had Václav Havel zich eind 1989 toch al verontschuldigd voor de verdrijving van de Sudetenduitsers?

De restitutiewet die het Tsjechoslowaakse federale parlement in 1991 aannam, maakte al snel een einde aan dergelijke illusies: alleen eigendom dat na 25 februari 1948, de datum van de communistische machtsovername, was geconfisqueerd, zou worden teruggegeven. Maar dat betekent ook dat de joodse eigendommen, die in de oorlog door de Duitsers in beslag zijn genomen en daarna in handen van de Tsjechoslowaakse overheid terecht kwamen, niet worden gerestitueerd of gecompenseerd.

Er bestaat een navrante relatie tussen de twee problemen. Igor Wasserberger, de onderdirecteur van het Joods museum in Praag, maakt duidelijk waarom. ""De Tsjechische joden zijn in feite gijzelaars geworden van de problemen tussen de Tsjechische regering en de Sudetenduitsers. Zolang die niet zijn opgelost en de Sudetenduitsers niet op een of andere manier worden schadeloosgesteld zullen de Duitsers niet peinzen over Wiedergutmachung aan de Tsjechische joden.''

Euroregio

De Tsjechen redeneren intussen dat er in elk geval wat betreft de Sudetenduitsers niets te vergoeden valt. De bij verschillende gelegenheden - kortgeleden nog in Oostenrijk, waar veel Karpatenduitsers zijn terechtgekomen - herhaalde verontschuldiging van president Havel voor het de Sudetenduitsers aangedane onrecht vinden zij al te veel van het goede. ""Alles wat hier is gebeurd'', zegt bijvoorbeeld Jaroslav Mráz, burgemeester van Liberec (Reichenberg toen het hoofdkwartier van Henlein er nog was gevestigd), honderd kilometer ten oosten van Úst nad Labem, ""is tenslotte het gevolg van een oorlog die de Duitsers hebben uitgelokt. Ik heb als Tsjech juist het gevoel dat k recht heb op schadevergoeding van de Duitsers, niet de Duitsers van òns. Als er geen Tweede Wereldoorlog was geweest, zou Europa niet veertig jaar in tweeën zijn gedeeld.''

Michal Hron, de plaatsvervanger van Mráz, waarschuwt voor de destabiliserende effecten die de eisen van de Sudetenduitsers kunnen opleveren. ""We zitten hier in het gebied ten zuiden van de Oder-Neisse-lijn, de naoorlogse grens tussen Polen en Oost-Duitsland. Dit is na Joegoslavië het gevoeligste gebied van Europa. Na de oorlog is de grens opgeschoven ten gunste van Polen, er wonen dus nog veel Duitsers. Wij zijn ook een groot stuk grond kwijtgeraakt, iedereen heeft wel historische aanspraken. De enige manier om te voorkomen dat we hier gaan vechten is zo snel mogelijk Europees worden, dat wil zeggen lid van de Europese Gemeenschap. Vandaar ook dat we hier de Euroregio Nisa willen opzetten, waarin de samenwerking tussen Duitsland, Polen en Tsjechië wordt bevorderd. De grenzen moeten geen remmende werking hebben, maar juist een motor worden. Het ergste dat zou kunnen gebeuren is een revisie van de resultaten van de Tweede Wereldoorlog.''

Mraz relativeert overigens het verlangen van Sudetenduitsers naar teruggave van hun bezittingen in Noord-Bohemen. ""Ik heb in totaal drie brieven gekregen waarin om restitutie werd gevraagd, op voorgedrukte formulieren, kennelijk een door de Sudetenduitse Landsmannschaft in Beieren georganiseerde actie. De Duitsers die hier vanaf 1989 komen, brengen meestal een bezoek aan de plaats waar ze zijn geboren of waar familieleden begraven liggen. Het zijn nostalgische reizen.''

Ook de burgemeester vindt dat de excuses van Havel over de verdrijving van de Sudetenduitsers voldoende moeten zijn. ""De verontschuldigingen zijn terecht aangeboden, maar aan mensen die zelf ook onrecht hebben gedaan. Het onrecht kan niet meer in stoffelijke zin worden goedgemaakt. Hier in Liberec was vier procent van de bevolking joods. De joodse bezittingen, veel onroerend goed, zijn in beslag genomen door de Duitsers en na de oorlog naar de overheid gegaan. Documenten waaruit het eigendomsrecht moet blijken zijn er niet meer. Het zou schandalig zijn als Duitsers uit dat bezit zouden worden schadeloosgesteld.''

Behalve in Liberec wordt, onder meer door Rudolf Hilf, ook in West-Bohemen, in het Egerland, aan een Euroregio gewerkt. Hilf: ""We hebben geleerd van de geschiedenis. Dat betekent dat dit gebied, ook al heeft het duizend jaar aan de Duitsers behoord, nu Tsjechisch is.'' Hij probeert het met zoveel emoties beladen verleden zo afstandelijk mogelijk te benaderen: ""Het is duidelijk dat men in de Sudetenduitse kwestie na vijftig jaar de tijd niet meer kan terugdraaien. Dat weet het Landsmannschaft ook. Nauwelijks één procent van de Sudetenduitsers wil werkelijk terugkeren. Terugkeer betekent vaak economisch en sociaal een stap terug en men komt terecht in een land dat niets meer te maken heeft met de Heimat van weleer. Wat de Sudetenduitsers echter nooit zullen accepteren is een rechtvaardiging van de collectieve verdrijving van drie miljoen mensen, schuldigen en onschuldigen, mannen en vrouwen, kinderen en bejaarden.''

Colloquium

Ook op een ander niveau, dat van de jongeren, worden de laatste jaren initiatieven ontwikkeld om de schuldgevoelens over het verleden dragelijker te maken en het begrip voor de wederzijdse trauma's te vergroten. Zo werd kortgeleden in Úst nad Labem voor Tsjechische en Duitse geschiedenisstudenten een colloquium over de verdrijving van de Sudetenduitsers gehouden.

""Er moet objectief wetenschappelijk onderzoek worden gedaan, zonder emoties en zonder vooroordelen. Het is goed om aan beide kanten fouten te erkennen. Als we elkaar beter leren kennen zal het wantrouwen worden weggenomen.'' Een langdurig geroffel op de tafels is het antwoord op de woorden waarmee de jonge Zdenek Radvanovský, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Úst nad Labem, het colloquium beëindigt, dat hij samen met zijn collega Manfred Jahn van de Technische universiteit in Dresden heeft georganiseerd. Enkele tientallen Tsjechische en Duitse studenten hebben eraan deelgenomen, een twaalftal van hen heeft korte referaten gehouden over deelonderwerpen als "De grensovergangen van de spoorwegen tussen Bohemen en Saksen' of "De verdrijving van Sudetenduitse anti-fascisten'. De voertaal is Duits, en als een enkele Tsjechische student daar moeite mee heeft wordt hij - meestal zij, het aantal vrouwelijke deelnemers is opvallend groot - welwillend geholpen door een lid van de Duitse minderheid in Tsjechië.

Opvallend is ook dat de bereidheid van de Tsjechische studenten om de pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden te belichten groter lijkt dan die van de Duitsers, die de neiging hebben de gebeurtenissen van vóór 1945 met een ruime mantel van inlevingsvermogen te bedekken. Ook vertegenwoordigers van de Sudetenduitse organisatie in Dresden wonen het colloquium bij, zoals de 48-jarige Dieter Leder, leraar wiskunde aan een beroepsopleiding in Dresden. Hij verwoordt wat veel Oostduitse Sudetenduitsers denken: ""Als Tsjechië lid van de Europese Gemeenschap wil worden, zal het ook de regels over het eigendomsrecht moeten overnemen. Wij vinden dat eigendom niet door diefstal kan worden verkregen en dat het niet mogelijk is met een leugen te leven.'' Leder verdedigt, net als de Landsmannschaft in Neurenberg, het Heimatrecht, maar eist daarnaast ook het recht op teruggave van in beslag genomen bezittingen.

Professor Radvanovský relativeert de meest radicale uitspraken van de Sudetenduitsers: ""Als je de tekst van een rede van Neubauer nauwkeurig doorneemt, blijken diens eisen vaak veel genuanceerder dan ze in de pers worden weergegeven. De meeste Sudetenduitsers zijn gematigde en verstandige mensen. Ze weten wat ze kunnen verwachten. Het belangrijkste is dat beide partijen elkaar de waarheid zeggen. Daarna moeten ze elkaar de hand geven, net zoals de Duitsers en de Fransen na de oorlog hebben gedaan.''

    • Frits Schaling