Onder de plak van de geschiedenis

Het Amerikaanse Hooggerechtshof is een waarlijk democratische instelling die op de dagen dat er geen zitting is haar zetel als een toeristische pleisterplaats openstelt. Maar het is geen gebouw waar een kreupel wandelaar zo maar binnenloopt. Het marmeren paleis geeft zijn openheid niet cadeau en stelt aan een bezoeker de eis van een bijna alpinistische lichamelijk conditie. In tegenstelling tot het huiselijk optrekje aan de straat waar de Amerikaanse president woont, is het gebouw van het Hooggerechtshof een van de meest verheven scheppingen van de staatkundige architectuur van de Amerikaanse hoofdstad. Maar op de hoogste trede van het oogverblindend witte bordes wordt de bezoeker beloond met een van de mooiste panorama's van Washington. En dat is nog maar het begin van het constitutionele spektakel dat hem binnen wacht. Om precies tien uur begint de ochtendzitting met een kort ceremonieel toneelstuk dat al in de zestiende-eeuwse handboeken van het Angelsaksische recht wordt beschreven. De advocaten en het publiek moeten hun oren beschermen als de "marshal' de aanwezigen gebiedt op te staan en de rechters, die zojuist drie bij drie tegelijkertijd door de rode fluwelen gordijnen de zittingszaal zijn binnengekomen, in de eeuwenoude formule aankondigt: “Oyez, oyez, oyez. The Hororable, the Chief Justice and the Associate Justices of the Supreme Court of the United States. All persons having business before this honorable Court are admonished to draw nigh and give their attention, for the Court is now sitting. God save the United States and this honorable Court.”

Er is geen Amerikaan die dit ritueel onberoerd bijwoont. Alle bekende auteurs die over het Amerikaanse Hooggerechtshof hebben geschreven typeren de gebeurtenis in allerlei varianten als een plechtigheid die nooit ophoudt de toeschouwer aan te grijpen. Dat geldt voor de duizenden dagjesmensen, maar ook voor de tegenwoordige president van het Hooggerechtshof, William H. Rehnquist. In het boek dat hij een aantal jaren geleden over de rol van het Hooggerechtshof heeft gepubliceerd, beschrijft deze opperrechter hoe diep hij bij zijn eerste bezoek aan het gerechtshof als middelbare scholier door het "Oyez' van de deurwaarder ontroerd werd. Rehnquist spreekt nog steeds met geestdrift over het wekelijkse ceremonieel (“een eersterangs plechtigheid”) maar hij zegt er op grond van latere ervaring ook bij dat het vervolg soms knap vervelend kan zijn zodra de behandeling van zaken begint.

Als het Amerikaanse Hooggerechtshof elke week het middelpunt zou zijn van de zaken die Rehnquist in zijn boek behandelt, zou het "never a dull moment' beleven. Het zou zelfs L.A. Law gemakkelijk in kijkcijfers verslaan. Om die theorie te staven spit Rehnquist zijn favoriete zaak (staalindustrie versus Truman) uit in een even geleerde als onderhoudende stijl - een intellectuele kunst die alleen Amerikaanse schrijvers beheersen. De zaak die de staalindustrie tegen president Truman had aangespannen stond wekenlang op de voorpagina's van de Washington Post (volgens Rehnquist de beste krant omdat ze altijd zowel deskundig als duidelijk over de Amerikaanse rechtspleging bericht).

Truman had de staalbedrijven onder staatscontrole gebracht om te voorkomen dat de wapenindustrie, die tijdens de oorlog in Korea draaiend moest worden gehouden, door stakingen in die bedrijven dreigde te worden lam gelegd. In lagere instantie was Trumans vordering in strijd met de grondwet verklaard, maar de Amerikaanse president had zich daar niet bij neergelegd en een uitspraak van het Hooggerechtshof gevraagd. Met een ongebruikelijke snelheid deed dat uitspraak. Tot grote consternatie van Harry Truman, die de meeste rechters in het hooggerechtshof zelf had benoemd en volgens politieke normen dus over een "politieke' meerderheid in het hof beschikte, bevestigden Trumans vrienden de uitspraak van de rechter van het hof van appel in Washington. De vordering van de staalindustrie was ook in hoogste instantie ongrondwettig verklaard. Nog diezelfde dag boog Truman het hoofd en gelastte zijn minister van handel de gevorderde staalbedrijven aan hun eigenaars terug te geven.

Rehnquist stond nog aan het begin van zijn carrière toen die zaak voor het Hooggerechtshof speelde. Hij was law clerk (wij zouden zeggen: gerechtsauditeur) voor een van de rechters van het hooggerechtshof, Justice Robert H. Jackson. Een betere leermeester kon een jonge law clerk die het rechterschap ambieerde zich niet wensen. Jackson was de Amerikaanse procureur-fiscaal bij het oorlogstribunaal in Neurenberg geweest, hij was bovendien een van de meest invloedrijke Democraten en hij ging door voor een van de beste juristen van zijn tijd.

Onmiddellijk nadat het hof het vonnis over Truman had geveld, riep Jackson zijn law clerks in zijn kamer en zei: “Well, boys, the President got licked”. De boys wisten hoe hard die slag was aangekomen, want Truman had blindelings op zijn vrienden vertrouwd. Die anekdote logenstraft de theorie dat een "politieke' meerderheid in het hof een president politieke zekerheden verschaft. Sommige rechters uit het Hooggerechtshof van 1952 behoorden tot Trumans huisvriendenkring en de chief justice speelde wekelijks poker met de president, maar die intimiteit stond een onafhankelijk oordeel van de rechters over Trumans vordering van de staalindustrie niet in de weg. Een president, schrijft Rehnquist, kan nog zoveel vrienden in het Hooggerechtshof benoemen (als hij tenminste het geluk heeft dat er in zijn ambtsperiode rechters dood of met pensioen gaan), van het Hooggerechtshof is hij nooit zeker. Daarvoor zijn de meeste rechters te eigenzinnig. Door hun onafhankelijkheid zijn ze onvoorspelbaar, maar ook de intellectuele traditie die het werk van het hof beheerst draagt daartoe bij.

De Amerikaanse rechtsgeschiedenis beschikt over een veelheid van verrassende arresten waarin conservatieve en liberale rechters een ander standpunt hebben ingenomen dan op grond van hun politieke sympathieën werd verwacht. Het zijn doorgaans de argumenten die de standpunten van het Hooggerechtshof bepalen, niet de voorkeuren van de president in het Witte Huis. Truman werd dat hardhandig ingepeperd. Hij meende boven de wet te staan en beriep zich op bevoegdheden die de grondwet hem niet had verleend. In zo'n geval deinzen de Justices van het verheven hof er niet voor terug de president zonder aanzien des persoons bij de kraag te vatten om hem overeenkomstig de geest van de grondwet weer met beide benen op de grond te zetten.

    • H.A. van Wijnen