Michael Stein

In sommige landen die aan de Eerste Wereldoorlog hebben meegedaan worden de twee minuten stilte op 11 november gehouden.

In Londen is het centrum van de plechtigheid de Cenotaph, het monument bij Whitehall. Als jongen van een jaar of zeven heb ik daar gestaan, aan de hand van mijn vader. Het gedruis van de stad hield op, duizenden mensen hielden tegelijk hun mond. Dat was al onvergetelijk maar misschien had ik het minder scherp onthouden als niet ergens aan de grens van de zwijgende drom een pendule had geslagen. Het leek me zo'n klok die in een gewoon huis op de schoorsteen stond. Misschien heb ik dat klankbeeld later in mijn geheugen opgesierd. In ieder geval heb ik er de conclusie aan verbonden dat van alle herdenkingen die waarbij iedereen een paar ogenblikken volstrekt niets doet de beste is.

In 1937 is die plechtigheid van 11 november verstoord. Volgens de berichten in de kranten van de twaalfde verbrak een man de afzetting die het volk van de hooggeplaatste herdenkers gescheiden hield. Hij riep: ""Wat is dat hier voor schijnheiligheid! Jullie zijn doelbewust bezig met de voorbereidingen van jullie volgende oorlog!'' Pas toen hij de koning tot op een paar meter was genaderd slaagde de politie erin hem te overmeesteren.

Menno ter Braak heeft een stukje aan het incident gewijd. Het heet Man rushes towards King at Cenotaph Service; het staat in zijn Critisch journaal. De verstoorder van de plechtigheid, meldden de kranten verder was Stanley Storey die in september van dat jaar uit een krankzinnigengesticht in Surrey was ontsnapt. Ter Braak schrijft: ""De krantenlezer herademt; het was slechts een "zenuwlijder' (...) Of hij de waarheid spreekt of niet is van minder belang dan het feit der afdoende zenuwen (zie Multatuli). Maar wij werpen een blik op de boeiende foto die door een stom fotografisch toeval een meesterstuk van tragische representatie dezer wereld werd, en vragen: Wat gebeurt daar?''

Ter Braak knoopt er dan een beschouwing aan vast die hier te ver zou voeren. Het gaat me om de verwarring, veroorzaakt door de onverwacht geopenbaarde waarheid.

Dinsdag 22 juni is aan Michael Stein voor zijn reportages over Algerije de Dick Scherpenzeel prijs uitgereikt. Zo'n gebeurtenis wordt gepast omlijst en daarom was er eerst een debat tussen mensen die veel weten van de onderwerpen waarover Stein schrijft. Toen kwam er een pauze met koffie en koekjes - geanimeerd omdat veel oude vrienden elkaar weer eens troffen. Gesterkt gingen we daarna luisteren naar het juryrapport. Ook dat was in zijn genre voorbeeldig. De opstellers hadden woorden als "indringend' en "scherpe observaties' weten te vermijden en in plaats daarvan serieuze overwegingen aan hun conclusie vooraf laten gaan. Iedereen begreep dat de mededinging niet gering was geweest maar het was onontkoombaar: Michael Stein verdiende deze eer het meest.

Minister Pronk ging de prijs uitreiken en ook hij maakte zich er niet met een Jantje van Leiden vanaf. Met klem van argument en gebaar legde hij uit dat wat wij soms nog "ontwikkelingshulp' noemen, een complex geheel is, een nieuwe, noodzakelijke vorm van buitenlandse politiek waarbij in het beste geval het doel is, de belangen der partners zo hecht mogelijk te verweven. Met deze allersummierste samenvatting doe ik de bewindsman onrecht, maar dit probeer ik meteen weer goed te maken door te verklaren dat het me geen moeite heeft gekost aandachtig naar hem te luisteren. Bij de meeste politici die een toespraak houden waarin ze uitleggen hoe we het best in het belang van de mensheid kunnen handelen geloof ik het wel, maar bij de woorden van de heer Pronk let ik altijd op.

Het grote ogenblik was aangebroken. De minister overhandigde Michael Stein de oorkonde en de envelop die erbij hoorde, en toen was het de beurt aan de laureaat voor het dankwoord. Algemeen dacht men dat nog enig licht geworpen zou worden op de Arabische wereld, maar na twee zinnen was het al duidelijk dat het over de toestand in Bosnië ging. De tekst, enigszins bekort maar niet van zijn essentie ontdaan, heeft woensdag in deze krant gestaan. Michael Stein schetste de stand van onze politieke beschaving. Dat het er slecht mee gesteld is weten we wel, maar ook de treurigheid valt op allerlei manieren te beschrijven. Stein maakte een vergelijking met het einde van de jaren dertig toen de fatsoenlijke volken en regeringen zich in alle bochten wrongen om op een beleefde, niemand kwetsende manier de Tsjechen en Slowaken aan Hitler over te doen. Gekwetst - om maar bij dit woord te blijven - was alleen Tsjechoslowakije, maar dat was nu juist het geniale van die politiek: deze uitlevering werd daarmee verkocht als de redding van de wereld. Op een manier die geen misverstand toeliet legde Stein uit dat de politiek van het Westen die in Kopenhagen alweer zo'n hoogtepunt heeft bereikt, van dezelfde suave verraderlijkheid is doordrenkt.

Ook het vervolg heeft al in veel kranten gestaan, hoewel niet in alle. Michael Stein schonk het bedrag dat aan de Dick Scherpenzeel prijs verbonden is - vijfduizend gulden - aan de Bosnische moslims, en wel om er wapens voor te kopen. De heer Pronk, bekleed met ministersgezag, zou ongetwijfeld weten hoe deze bijdrage zo snel mogelijk naar de bestemde plaats kon worden gestuurd.

Dat was dat. Wat gebeurde daar? Ik ken Michael Stein al tientallen jaren, ik weet hoe gewetensvol, verstandig en objectief hij zijn vak beoefent. Hij is de gezworen vijand van de waan van de dag. Hij is een moedig man die zich ettelijke malen in gevaarlijke, soms levensgevaarlijke situaties heeft gewaagd. Hij is niet iemand die zijn feiten via de verrekijker verzamelt. Kortom, hij heeft recht van spreken.

Daarom was het een grote, ernstige gebeurtenis toen hij op die middag in het vreedzame zaaltje van Pulchri in Den Haag partij koos. Geen "gebaar' maar een daad van moed en verstand. Ik geloof dat ik hoera heb geroepen. Ik ben trots dat ik hem ken.

    • S. Montag