Meer geld VN gevraagd voor mensenrechten

WENEN, 26 JUNI. De Verenigde Naties moeten meer geld en mankracht beschikbaar stellen om de naleving van de rechten van de mens te bevorderen.

Met die aanbeveling, opgenomen in de zogeheten "Verklaring van Wenen' is gisteren de VN-conferentie over de rechten van de mens in Wenen geëindigd.

Op het allerlaatste moment werd nog een compromis bereikt over een zogeheten Hoge Commissaris voor de mensenrechten, een door het Westen voorgestelde functionaris die binnen de VN moet coördineren in alle kwesties die betrekking hebben op schendingen van de rechten van de mens. Vooral islamitische landen hadden hiertegen bezwaar. Na moeizame onderhandelingen werd besloten de Algemene Vergadering van de VN te vragen deze kwestie “met prioriteit” te behandelen.

De Verklaring van Wenen onderstreept dat de mensenrechten universeel geldig zijn (ze zijn onafhankelijk van culturele verschillen) en stelt vast dat het “recht op ontwikkeling” een fundamenteel mensenrecht is. Ook wordt uitdrukkelijk vermeld dat de rechten van vrouwen en meisjes “een onvervreemdbaar, integraal en ondeelbaar deel van de universele rechten van de mens” uitmaken. Het document spreekt afschuw uit over “etnische schoonmaak” en “systematische verkrachting van vrouwen”.

Op verzoek van ontwikkelingslanden doet de conferentie een beroep op staten om geen handelsbarrières op te richten. Zij willen zo voorkomen dat economische druk kan worden toegepast om schendingen van de mensenrechten tegen te gaan. Het actieprogramma vraagt om een “substantiële toename” van de middelen voor het VN-centrum voor de rechten van de mens in Genève.

Ook de rechten van het kind en die van "inheemse mensen' krijgen veel aandacht. Voor de laatsten wordt aan de Algemene Vergadering van de VN de aanbeveling gedaan met ingang van januari 1994 een "Internationale Decade voor de inheemse mensen van de wereld' af te kondigen. Westerse woordvoerders toonden zich in het algemeen verheugd dat vooruitgang was geboekt, terwijl de vooruitzichten zeer somber waren geweest. Zegslieden van particuliere belangengroepen vonden de aangenomen teksten “te vaag en te slap”.

    • W.H. Weenink