JULIEN OFFRAY DE LA METTRIE; Een arts op de barricades van de Verlichting

La Mettrie. Medicine, Philosophy and Enlightenment door Kathleen Wellman 342 blz., Duke University Press 1992, f 77,50 ISBN 0 8223 1204 2

Elk mens die gezegend was met een natuurlijke levenslust, werd er in de achttiende eeuw keer op keer aan herinnerd hoe fragiel zijn bestaan was en hoe bedreigend de geringste aandoening kon worden voor de gezondheid. Slechts de helft van de kinderen, zo schatte Rousseau in zijn Confessions, bereikte de leeftijd van acht jaar en ook na die zo riskante eerste levensjaren bleven de gevaren groot.

In deze tijd zouden doktoren, als natuurlijke bondgenoot van de verlichte "philosophes', het geloof in de wetenschap moeten belichamen, maar in de praktijk waren hun bemoeienissen dikwijls vruchteloos en in menig geval zelfs catastrofaal. In The Enlightenment. An Interpretation merkt Peter Gay op dat een patiënt die het geduld kon opbrengen te vertrouwen op de genezende kracht van Moeder Natuur vaak beter af was dan degene die zijn toevlucht zocht tot de geneesheer.

Julien Offray de La Mettrie (1709-1751) was een arts die diep gebukt ging onder deze situatie. Op een voor zijn collega's uiterst pijnlijke wijze gaf hij uiting aan zijn verontwaardiging over hun pretentieuze onnozelheid. In plaats van een plechtig Latijns vertoog dat binnen de muren van de academie bleef, koos hij echter voor het "ordinaire' schotschrift waarmee het publiek moest worden geamuseerd en genformeerd. Zijn publikaties, toch al verafschuwd om hun athestische, materialistische inhoud, vonden op last van het Parlement van Parijs al snel hun weg naar de brandstapel.

Noodgedwongen nam La Mettrie de wijk naar Holland waar hij in Leiden colleges volgde bij de befaamde Boerhaave. Doch ook in de Lage Landen werden zijn geschriften als scandaleus bestempeld. De vroede vaderen gelastten gerechtelijk onderzoek, maar voordat het tot een uitspraak kwam, koos de Franse arts koos eieren voor zijn geld en vluchtte naar Pruisen. Daar vond hij bij "vrijdenker' Frederik de Grote een gastvrij onthaal. De koning was geamuseerd door het zwarte schaap van het medisch establishment van een vreemde mogendheid en benoemde hem tot officiële voorlezer. Zelfs stond hij hem toe in zijn bijzijn zijn vest los te knopen en zijn pruik af te zetten.

FAZANTENPATÉ

Al spoedig moest La Mettrie evenwel ervaren dat ook in Pruisen de artsen snel de grenzen van hun kunnen hadden bereikt. Onwel geworden tijdens het consumeren van fazantenpaté, op een ontvangst van de Engelse ambassadeur in Berlijn, raadde hij zijn Berlijnse collega's aan aderlating op hem toe te passen. Het resultaat was noodlottig. Vlak voor La Mettrie het bewustzijn verloor, had hij nog de wens te kennen gegeven in de tuin van de ambassadeurswoning te worden begraven. Desalniettemin koos men toch voor een kerk ""où il est tout étonné d'être,'' schreef Voltaire later.

Wat bleef, was een omstreden reputatie. Zijn collega-"philosophe' Diderot typeerde La Mettrie in een boosaardig In Memoriam als een losbandige, onbeschaamde clown die slechts de gunst van de groten der aarde had gezocht en precies de dood had gekregen die hij had verdiend. Zijn dwaze gulzigheid was hem ten slotte noodlottig geworden en het advies dat hij vlak voor zijn dood aan zijn Pruisische collega's had gegeven was kenmerkend geweest voor een man die ondanks zijn kritiek op collega's zijn eigen vak slecht verstaan had. Onder de "philosophes' was er weinig waardering voor de uitzonderlijke radicaliteit van La Mettrie's opvattingen, die, zo vreesden zij, de maatschappelijke orde zouden kunnen ondermijnen.

Die ongewone felheid had La Mettrie al vanaf de eerste fase van zijn loopbaan, en hij was haar nooit meer kwijtgeraakt. In de hevige competentiestrijd die in de jaren dertig van de achttiende eeuw ontbrandde tussen de ambachtelijke chirurgijnen en de academisch gevormde medici nam hij het op voor eerstgenoemden en haalde zich ook daarmee de woede op de hals van zijn collega's.

POTJESLATIJN

In haar voortreffelijk geschreven intellectuele biografie La Mettrie. Medicine, Philosophy and Enlightenment laat Kathleen Wellman zien dat het conflict ook een duidelijk sociaal karakter had. La Mettrie koos voor de in de praktijk geschoolde "armendokters', bedreven in anatomie en autopsie, en gaf daarmee die wufte, academisch gevormde modedokters met hun wereldvreemd potjeslatijn aan de spot van een naar mondigheid strevend publiek prijs. Zij laat zien dat de pamflettenstrijd tussen chirurgijnen en artsen preludeert op sociale en politieke conflicten die in de tweede helft van de achttiende eeuw heviger zullen worden. De oude, geprivilegieerde samenleving met zijn koop en verkoop van diploma's en juridische en medische bullen lag onder vuur van kleine groepen nieuwkomers en "buitenstaanders' die vermeende deskundigheid wilden toetsen en zich wilden laten leiden door de rede en de ervaring. Zij zouden die oude, zelfgenoegzame corporaties, waarin wat de "Ouden" hadden beweerd als hoogste wijsheid gold, desnoods wel met geweld willen openbreken.

Uiteindelijk zou dit ten tijde van de Franse Revolutie ook gebeuren, maar La Mettrie had slechts de satire als wapen. ""Het ware vurig te wensen,'' sneerde hij, ""dat de artsen door alle ziektes bezocht worden die zij in hun geschriften behandelen of bij hun patiënten tegenkomen. Wanneer zij zelf door schade en schande wijs zijn geworden, zullen zij in hun boeken of aan het ziekbed hopelijk minder vergissingen maken.''

De medicijnenstudie zou alles kunnen en moeten worden wat zij toentertijd niet was, vond La Mettrie. Het polemisch geweld waarmee hij zijn collega's bestookte, kwam, zoals zo vaak, voort uit teleurgestelde liefde voor een wetenschap die in onbekwame handen geraakt is. ""Ervaring en observatie zouden onze gids moeten zijn,'' betoogde hij, ""De arts-filosoof heeft de mens oneindig veel meer te bieden dan de filosoof tout court. De eerstgenoemde alleen weet zijn weg te vinden door het labyrint dat mens heet. Hij alleen beschouwt in alle rust onze ziel.''

Zijn tijdgenoten en ook de generaties na hem waren echter verbijsterd over de conclusies die de filosoferende medicus La Mettrie in alle gemoedsrust meende te kunnen trekken. Het leerstuk van de onsterfelijkheid van de menselijke ziel veegde hij achteloos terzijde, overtuigd als hij was van wat de fysiologie hem leerde: de mens was een machine, niet wezenlijk verschillend van andere dierlijke levensvormen. Zonder voedsel als brandstof kwijnt die door theologen zo gekoesterde ziel weg en sterft een even onontkoombare dood als het lichamelijk aards omhulsel dat door diezelfde theologen altijd zo geringschattend werd behandeld.

EGOCENTRISME EN GENOTZUCHT

La Mettrie zag de mens als elk levend wezen voortgedreven worden door de wet van egocentrisme en genotzucht. Ongetwijfeld maakt de egocentricus af en toe vrome buiginkjes en beweginkjes, observeerde hij, maar hebben die concessies aan de "goede zeden" hem er ooit van weerhouden zijn eigenbelang als hoogste goed na te jagen? Wie "van nature' tot het kwade is geneigd, is gelukkiger dan hij die met tegenzin het goede betracht. La Mettrie wist dat het vruchteloos was een gelukkige booswicht met vrome vermaningen op andere gedachten te brengen: ""Stel je prijs op je leven, wees dan op je hoede. De overheid in de vorm van de beul en de de galg is je ware vijand: van haar heb je meer te duchten dan van je geweten of van God!''

De mens, als genotzuchtige verslaafd aan de lichamelijke liefde, heeft maling aan de stosche lessen van Seneca, oreerde La Mettrie, hij bekreunt zich niet om zijn "zieleheil', vindt zijn geluk slechts in het orgasme. Het is even zinloos een losbol matiging aan te raden als een tiran beteugeling van zijn wreedheid. De mens leek hem, kortom, een wezen geneigd tot wantrouwen en bedrog, aangedreven door de hartstochten die in zijn bloed kolken.

Deze amorele, ontluisterende visie was er de oorzaak van dat de meeste philosophes met hun verstandige gematigdheid en hun geloof in een weldoende Voorzienigheid in La Mettrie nauwelijks een geestverwant konden zien. Zij dachten in termen van gemeenschaps geluk en sociale contracten. La Mettrie was als fysioloog gefascineerd door de "condition humaine' van het individu.

Wellmann maakt in haar studie duidelijk dat La Mettrie's geschriften niet kunnen worden afgedaan als rancuneuze paskwillen. Zijn streven een publieke opinie te creëren en vervolgens te mobiliseren tegen de verouderde instellingen van het Ancien Régime was revolutionair, maar ook inhoudelijk betekende zijn benadering - door Wellmann als ""medicalisering van de Verlichting'' betiteld - iets nieuws. Hij was ervan overtuigd dat de medicijnenstudie en de natuurwetenschappen de theologie zouden vervangen en dat vooral de fysiologie als koningin van de wetenschap de vacante troon zou bezetten.

Ondanks alle weerzin die hij opriep, kreeg La Mettrie wel degelijk een soort geestelijk erfgenaam. Dat was Pierre Cabanis (1757-1808), die was gevormd in de salon van Madame Helvétius en tot aanzien raakte onder Napoleon. In een van zijn medische leerboeken uit 1802 betitelt hij de fysiologie als de basis voor psychologie en moraalfilosofie: ""De maag verteert voedsel, het brein produceert ideeën. Artsen en zij alleen waken over het ordelijk verloop van beide processen, diagnosticeren en corrigeren en leveren daarmede hun bijdrage aan de nationale volksgezondheid.'' La Mettrie als "médecin-philosophe" zou deze opvatting hebben toegejuicht.