Het was Naatje

Op de voorzijde van het monument stond: "Aan de volksgeest van 1830 en 1831'. Op de achterzijde: "Tot opwekking van tijdgenoot en nageslacht'. Bovenop het 18 meter hoge bouwwerk stond een vier meter hoge allegorische vrouwenfiguur. Gehelmd en gehuld in antieke kledij, hield ze in de rechterarm een hoorn des overvloeds, de linker steunde op de traditionele bundel pijlen. Op 27 augustus 1856, een kwart eeuw na de Tiendaagse Veldtocht tegen België, werd ze tijdens de onthulling "De Eendracht' gedoopt. Gedurende haar leven was ze beter bekend als "Naatje van de Dam'.

Het besluit om dit enige nationale monument dat de hoofdstad rijk was uit de weg te ruimen, viel op 8 oktober 1913 in de Amsterdamse gemeenteraad. Het agendapunt luidde: "Voordracht van B & W dd. 25 juli 1913 inzake electrische verlichting en asfaltering van het Damplein, wijziging van de tramsporen op dat plein en verwijdering van het monument'. De volgorde van de werkzaamheden zegt al wat over het belang dat aan een en ander werd gehecht; toch verklaarde de liberale wethouder Delprat dat het "onverantwoord' was om het monument gewoonweg te slopen. Het zou misschien elders nog een fraai plekje kunnen krijgen, op een kruising van wegen, in een plantsoen of in de geplande uitbreiding-Zuid.

Raadslid F.M. Wibaut (SDAP) nam het woord. Hij wilde uitbreiding-Zuid hier niet mee "ontsieren'. En wat die kruising van wegen betrof: als die maar niet in Amsterdam lag. ""Misschien zijn er plaatsen in ons land - op de hei - waar het een goed figuur zou maken.'' Ook Wibauts partijgenoot W.H. Vliegen wees het overbrengen van "Naatje' af. ""Het is in het algemeen niet kwaad de herinnering aan de gebeurtenissen in den tijd, waarop dat monument doelt, uit te wisschen. Het is ook niet kwaad, om in het jaar, dat men het onafhankelijkheidsfeest viert, geen herinnering te behouden aan den tijd, dat men poogde aan een ander volk zijn onafhankelijkheid te onthouden.'' Wibaut: ""Wij zijn allemaal met dat monument waarschijnlijk een beetje verlegen. Waarom niet verloten of per advertentie gratis aanbieden aan degene die het komt halen?'' Ter rechterzijde ontstond enig gesputter: het was ""niet waardig om op die wijze er den gek mede te steken''. Het mocht niet baten, het verwijderingsvoorstel werd aangenomen. ""Naatje moest verdwijnen van de Dam, voor de elektrieke tram'', zong een revue-artiest. Naatje moest verdwijnen voor de Nieuwe Volksgeest, en die behoefde andersoortige monumenten: sociale woningbouw, droogleggingen, dijken.

Men kan zich afvragen wat de oorzaken waren van die spottende minachting, die honende en soms zelfs kwaadaardige volksstemming, die afweek van de gebruikelijke onverschilligheid tegenover monumenten, en die nog altijd voortleeft in de uitdrukking: "Het is Naatje'. Het is de enige levende herinnering die ons rest aan dit monument ter herdenking van de eensgezinde opofferingsgezindheid en strijdbaarheid tijdens de Belgische Opstand van 1830/31.

Over de precieze oorsprong van de bijnaam "Naatje' bestaan slechts gissingen. Direct na de onthulling in augustus 1856 werd er door critici gezongen:

Juffrouw Eendracht is onthuld

De commissie heeft gesmuld

En de natie is gekuld. [verneukt, red.]

Het Bargoens woordenboek veronderstelt dat er op de sokkel het woord "natie' stond en dat de letter i wellicht een naar links omgekrulde voet had. Zo zou de voorbijganger "natje' hebben gelezen, wat tot "Naatje' leidde. En de voorbijganger "begreep dit graag als naadje, bargoens voor het vrouwelijke geslachtsdeel, met ontsnappingsmogelijkheid naar het onschuldige (Mi)naatje.

Het woord "natie' stond evenwel niet op de sokkel gebeiteld. (Mi)naatje is een betere herleiding. Het radicale, satirische tijdschrift Asmodée schreef na de onthulling ""dat het volk in zijne geestdrift aan Vrouwe Eendracht, die eene maagd zou zijn, den eervollen naam heeft gegeven van de BIJZIT VAN KONING WILLEM I''. Nu zal het volk niet hebben geweten of Willem I een bijzit had en hoe deze heette. Maar men wist wel dat Willems vrouw Wilhelmina (van Pruisen) had geheten. In de altijd aanwezige drang om de op monumenten uitgebeelde personen van hun voetstuk te halen, te kleineren of gewoon vertrouwder te maken via een bijnaam is het mogelijk dat men van Wilhelmina "Naatje' maakte. En als men hoorde dat het Willems bijzit betrof, ligt de naam "Naatje', gezien de seksuele connotatie van "naadje', nog meer voor de hand.

De snelle ouderdom van de maagd deed de rest. Al spoedig na de onthulling bleek het zandstenen beeld niet goed bestand tegen de Hollandse buitenlucht. Haar gezicht werd pokdalig, de neus vroor eraf. In 1881 moesten de fundamenten worden vernieuwd, in 1905 wierp ze in arren moede een hele arm weg, bijna op een paar agenten. Het beeld heette nu "Naatje Eenarm', klassiek onderlegden spraken over "Naatje van Milo'. Met de zich wijzigende artistieke smaak werd dit snelle verval reden dat in de Amsterdamse volksmond de uitdrukking "Het lijkt nergens op' werd vervangen door "Het lijkt wel Naatje'.

Belangrijkste reden van de verlegenheid waarvan Wibaut sprak, was ongetwijfeld de overtuiging dat het monument niet meer paste in een land dat zich als modern, dynamisch en bijna per definitie vreedzaam was gaan beschouwen. Het voorstel om het monument te vervangen door een kiosk of weerstation werd evenwel afgewezen.

Bij de ontmanteling noteerde een verslaggever van het Algemeen Handelsblad hoe de Amsterdammers hun laatste groet brachten en in een plotselinge vlaag van belangstelling de opschriften luid-op voorlazen en het geheel nog eens aan een jury-blik onderwierpen:

""Een juffrouw: "Weet u nog hoe ze allemaal op derlui teenen om d'r heen hebben gedanst toen de Koningin gekroond werd? En zóó aftandsch vond ik haar nog niet!'

"Ze gaat naar de Belt', zei een matroos, "d'r tuigage is versleten, 't is een oud fregat - precies als u, juffrouw!' ''

In 1913/14 was duidelijk dat het zelfbeeld van de natie eerder overeenkwam met olietankers, vrachtschepen en de "politievloot' van prof. C. van Vollenhoven dan met het oude fregat "Naatje'. Nederland moest volgens de Leidse hoogleraar om nostalgische en praktische redenen het initiatief nemen tot een internationale politievloot die overal ter wereld de vrede moest afdwingen. Alleen een "centrale roeping' zou volgens hem een einde kunnen maken aan de onderlinge verdeeldheid van Nederland.

Zodra er een nationaal monument ter sprake kwam, bleek nog eens hoe diep die verdeeldheid zat. Vanaf de plannen, begin 19de eeuw, voor een monument "ter nagedachtenis aan de verdedigers der Bataafsche Republiek in 1799' tot het nationale monument voor koningin Wilhelmina: elke poging het gevoel van de hele natie uit te drukken, werd wel ergens opgevat als monopolisering van heden en verleden door de tegenpartij. De strijd ging over de betekenis, titel, inscripties en afbeeldingen; vaak gold het indirecte wapen van de vorm en de artistieke stijl - "katholieke' neo-gotiek versus "protestants' dan wel "humanistisch' classicisme. Als men, zo is wel gezegd, alle rapporten, krantestukken, brochures, pamfletten, schotschriften, hekeldichten en lofzangen op elkaar zou leggen, zou deze stapel het ware nationale monument van Nederland opleveren, hoger dan de Eiffeltoren.

De ontstaansgeschiedenis van "Naatje' is gauw verteld. Een Utrechtse oud-student die in 1831 als vrijwilliger aan de Tiendaagse Veldtocht had deelgenomen, stelde in 1852 voor in augustus 1856 een landelijke reünie te houden van alle dragers van het Metalen Kruis dat koning Willem I had uitgereikt aan de strijders van 1831. Er kwam een vereniging en een plan voor een gedenkteken. Koning Willem III bepaalde dat dit op de Dam moest komen, stelde een feestcommissie in en benoemde zijn oom prins Willem Frederik Hendrik tot voorzitter. Verder telde het bestuur vier baronnen en twee dubbele namen. Een klein, royalistisch clubje dus. Een jury koos uit de inzendingen het achthoekige ontwerp van H.M. Tétar van Elven, zoon van een jurylid. De bekende Belgische beeldhouwer Louis Royer, zelf jurylid, mocht de allegorische vrouwenfiguur als symbool van "de eendracht tussen Vorst en Volk' vervaardigen.

Tijdens de onthulling van "De Eendracht' op 27 augustus 1856 was het een en al feest, vlag en volkslied in Amsterdam. Vuurwerk, illuminatie, zaklopen, ringsteken, mastklimmen en tobbespel voor het gewone volk; een "wedstrijd met de buks' voor de Metalen-Kruisridders die zich tussen de feestelijkheden voortsleepten van déjeuner naar diner naar souper, waarvan er sommige met 18 gangen op zich al een herhaling van de Tiendaagse Veldtocht mochten heten. En overal was natuurlijk jhr. Jacob van Lennep aanwezig om zijn ellenlange gedichten voor te dragen.

In de Stadsschouwburg werd een gelegenheidsstuk opgevoerd. Een burger werd soldaat en keerde na de gewonnen strijd tegen de Belgen in het burgerleven terug. Het was een variatie op het thema van de mythische soldaat Chauvin die in Frankrijk naam en kracht gaf aan het chauvinisme.

Was er in 1856 sprake van chauvinisme in Nederland? De "Augustusfeesten' in de hoofdstad waren een succes, dat is zeker. Tot in de achterbuurten was gedanst en gedronken. Toch werden ze geen bewijs van integratie tussen de diverse bevolkingsgroepen. Want achter de festiviteiten in Amsterdam gingen heftige polemieken en strijd verborgen. De kritiek op de oprichting van het monument kan men in drie punten samenvatten, zoals kunsthistorica Mieke van der Wal in 1981 heeft gedaan in een uitstekend artikel over "Naatje': de oprichters wilden zichzelf eren, ze vormden een reactionaire politieke beweging en na 25 jaar was er geen aanleiding om "1831' op te rakelen.

Daar kwam nog iets bij: de concurrentie met België in het algemeen. De oprichting van "Het Metalen Kruis' was een reactie op de Belgische vereniging "Het IJzeren Kruis' die vaandels uitreikte aan de gemeenten die zich in 1830 tegen het noorden hadden onderscheiden. Het initiatief tot "De Eendracht' mag dan, zoals E.J. Potgieter zei, "ijdeltuiterij' van de initiatiefnemers zijn geweest, het werd genomen tijdens de bouw van het machtige monument "La Couronne du Congres' in Brussel waarmee de Belgen hun herwonnen onafhankelijkheid vierden. Volgens jhr. Victor de Stuers gunde men in Nederland het de Belgen simpelweg niet dat ze feestvierden. Het idee kwam dus deels voort uit chagrijn: Laten wij een monument oprichten ter ere van "de volksgeest' die de Belgen mores zou hebben geleerd, als de Fransen niet tussenbeide waren gekomen!

De vraag was: wat voor monument? Een monument voor Willem I, de uiteindelijke verliezer, ging niet, een grote militaire zegepraal ook niet, dus bedacht men een abstractie: "De volksgeest van 1830 en 1831'. Een afbeelding van Willem II werd afgewezen wegens diens tegemoetkomende houding jegens de Belgen. Daarom koos men voor een vrouwenfiguur "De Eendracht' en op de sokkel voor een afbeelding van een hond (spaniel) als symbool van trouw. En voor veel opschriften: "De eer van Nederland gehandhaafd door Vorst en Volk', "God bescherme Nederland en Oranje', "5 October 1830. Te wapen!', "2 Augustus 1831. Voorwaarts!'

De oprichters hadden echter "de tijdgeest' tegen. Er was in 1856 wel interesse in een groot en gratis feest, maar weinig afkeer meer van de Belgen om die "Tiendaagse Ruzie'. Men vond het niet erg beleefd om de "Belgische broeders' aan hun nederlaag van 1831 te herinneren. Voor het volk had de Tiendaagse Veldtocht destijds een afstraffing der muiters betekend, voor de koning het begin van de herovering van België. Het resultaat was een politiek isolement en bijna bankroet van Nederland geweest. Bij het weldenkende deel der oppositie was er daarom uitgesproken verzet tegen het monument.

De liberale IJ- en Amstelbode schreef begin 1856 dat het feit dat de Belgen "Septemberfeesten' vierden en een gedenkteken voor hun "muiterij' hadden opgericht geen reden was om hen na te doen. Want de Belgen hadden iets feitelijks, iets positiefs - hun zelfstandigheid - verworven. Zij konden dus "om een idool rondspringen', terwijl de Nederlanders niet anders beoogd hadden dan een billijk eerherstel. Als men dan toch iets had willen oprichten, dan iets duidelijks: "een geknielde Belg voor een Hollandsch krijgsman', zoiets. Dan had iedereen begrepen wat het betekenen moest. Ook J.A. Alberdingk Thijm, de intellectuele voorvechter van de katholieke emancipatie, noemde het gedenkteken voor "die Nederlandsche burgeroorlog' door zijn geforceerdheid en gekunsteldheid "onwaardig', "smakeloos', ja, "anti-nationaal'.

Was de bedoeling van het monument "anti-nationaal'? Gezien vanuit het katholieke volksdeel ongetwijfeld. Velen zagen het monument als een uitdaging tegenover de Belgen. Zo ook de Amsterdamse burgemeester C.H.B. Boot. Daarom noemde hij België in zijn rede tijdens de onthulling "een bevriende nabuur' en zei hij: ""Geen andere bedoeling ligt er in de oprichting dezer zuil, op welke spitse te regt het beeld der Eendragt geplaatst werd. Eendragt (God geve het!) blijve heerschen tussen de Volkeren.''

Het monument was voor de oprichters niet alleen een middel om van het chagrijn over het groeiende zelfbewustzijn der Belgen af te komen, het was ook een signaal aan "Europa'. Volgens een der kroniekschrijvers van "De Augustusfeesten', W.J. Hofdijk, was "1831' een zegen: anders hadden die Belgen hun grens bij de Moerdijk gelegd en zo had Nederland ""aan Europa zijne sterkte en zijn gevoel van Volkswaarde getoond''. Het monument en het feest hadden Van Speycks daad herhaald: ""De vijf dagen hebben een treffend bewijs geschonken aan heel Europa, van wat een band vermag, door Koning en volk geknoopt.''

De internationale rol van Nederland liet het gros van de bevolking in 1856 tamelijk onverschillig. Veel heftiger emoties maakte de interpretatie los die de oprichters gaven aan het begrip "Nederlandse natie'. Professor Lauts beantwoordde tijdens de onthulling de vraag of de Nederlandse natie een protestantse natie was simpelweg met: "Ja'. Geen wonder dat de katholieken in het monument een stenen bevestiging van "de protestantse natie' zagen.

In katholieke kring had men in 1849 ook met zorg de troonsbestijging gezien van Willem III die werd omschreven als een ""Nero, een echte kozak, een tiran en een verdorven mens''. Hij zou een pastoor eens hebben toegevoegd dat de katholieken altijd met de vijanden van zijn huis hadden geheuld: ""Maar durven jullie weer tegen mij op te komen, dan zal ik jullie koud en heet staal door je donder jagen.''

Dat Willem III niets moest hebben van zowel de liberalen als de katholieken, die het kabinet-Thorbecke steunden, is bekend. Zijn afschuw van het grondwettelijke bestel van 1848 - dat de liberalen niet hadden veroverd maar dat hun in de schoot was geworpen door de revoluties in Europa - deed de eerste jaren het ergste vrezen. Het nieuwe protest van het "groot-protestantse' actie-comité in 1853 tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland had ook succes: het kabinet-Thorbecke viel in 1853 en vrij algemeen duchtte men een staatsgreep. Bij de kabinetsformatie van mei 1856 mikte Willem III inderdaad op een kabinet dat een poging zou doen "1848' in reactionair-conservatieve zin te wijzigen. Het monument paste in dit streven.

Vreemd was het dus geenszins dat ook veel liberalen betwijfelden of het Metalen Kruis alleen de geestdrift van 1830/31 wilde terugroepen. Was deze vereniging, zo vroeg Asmodée begin 1856, niet te beschouwen als een "georganiseerde gewapende magt' die moest helpen een coup d'état uit te voeren? Wat moesten al die bataljons en eskadrons grenadiers, jagers en dragonders die naar Amsterdam zouden komen voor het feest, daar anders allemaal moeten doen?

De ultra-protestantse bladen waren furieus over deze oppositie. ""Nauwelijks was het plan bekend'', zo schreef Waakzaamheid, ""of de geestverwanten van de voormalige vijanden, het Jezuëtengebroed, samen met een Asmodée-schrijver en met het uitschot der joodse naties begonnen te lasteren''. Voor straf werden de oppositiebladen uitgesloten van alle officiële mededelingen en uitnodigingen. De conservatieve Amsterdamsche Courant werd de spreekbuis.

Het anti-papisme kwam tot in de kleinste details tot uitdrukking. Op de dag voor de onthulling had een windvlaag het kleed half weggeslagen zodat "De Eendracht' reeds half onthuld was. Aanvankelijk wilde men geen mensenlevens op het spel zetten om in de storm het beeld weer aan te kleden. Toen op de affiches in Amsterdam het woord onthulling moest worden veranderd in inwijding, deed men dit alsnog. Anders kon het wel een katholiek monument lijken. De Tijd vroeg zich dan ook af of het monument niet weer eens bewees ""dat de eendragt werd uitgeroepen om de tweespalt te bestendigen''.

Het nationale monument "De Eendracht' had dus al bij de geboorte een rouwkrans om. De eendracht tussen volk en vorst kwam er voorlopig niet, zeker niet op de voorwaarden die de conservatieven en protestanten wilden. De geforceerd krijgshaftige, maar toch ook aarzelende en defensieve houding die de oprichters inzake het monument innamen, duidt op de groeiende onzekerheid onder de conservatieven. Minister van justitie Van der Brugghen zou tijdens een van de feestmaaltijden openlijk over de oprichting van een reactionaire partij hebben gesproken, maar door de tafelgenoten zijn "weggekucht'. Geloofden de conservatieven in 1856 zelf al niet meer in herstel van de situatie van vóór 1848? De grootste aanhang van de groot-protestantse partij "Koning en Vaderlanders' was in elk geval al weer verdwenen. De "nieuwe orde' was volgens J.C. Boogman vanaf 1857 vrij stevig gegrondvest.

Het anti-papisme ebde in de jaren daarna verder weg en de plaats van de katholieken zou nooit meer ter discussie worden gesteld als tussen 1853 en 1856. In de golf van geestdrift rond de kroning van Wilhelmina in 1898 sprongen ook menig katholiek journalist de tranen in de ogen. De katholieken waren nu volstrekt één met de protestanten in nationalisme en Oranje-liefde. Inzake schoolstrijd, kiesrecht en kapitalisme waren de liberalen inmiddels de grote tegenstanders geworden.

Het middelpunt van de inhuldiging van Wilhelmina was de Nieuwe Kerk, niet "Naatje'. Het monument ging, volgens de Europese mode, bijna onzichtbaar schuil achter alle decoraties en uitbouwsels. Het artistieke oordeel over "Naatje' was al lang vernietigend. Het middelpunt van de Dam, zo lezen we in een boek uit 1891, werd ingenomen ""door een stuk steen, in den vorm van een erg geel-bleek Hollandsch maagdje op een staak van een voetstuk, dat van boven opgesierd is met enige kinderachtige stukjes beeldhouwwerk en beneden luistert naar de naam van fontein''.

Na de afbraak in 1914 werd "Naatje' slechts af en toe in de herinnering teruggeroepen. In 1927 deed H. Brugmans het, net als in 1914, nog eens naar aanleiding van het Kanaalverdrag dat de stemming in Nederland nauwelijks minder vijandig had gemaakt jegens België dan in 1830/31.

In de jaren dertig ontdekte een verslaggever van het Algemeen Handelsblad het groen uitgeslagen, bemoste beeld in de tuin van het Stedelijk: ""Een grote droeve kop, die ons met moede oogen onder den helm aanstaart.'' De rest van beeld en monument was al verpulverd en verdwenen. Waar de as van de gecremeerde "Eendracht' werd uitgestrooid, is onduidelijk. Verstrooid tussen de walletjes, zegt de een. Er is een oprit bij een politiebureau mee verhard, zegt de ander. Tijdens de Duitse bezetting heeft de NSB, in een poging de oud-Hollandse geschiedenis te doen herleven, nog wel getracht "Naatje' te doen herrijzen als Amsterdamse "stedemaagd' maar men kon het beeld niet meer vinden.

Ten tijde van de onthulling van het nieuwe nationale monument op de Dam in 1956, werd in diverse kranten het verhaal van "Naatje' nog eens verteld, summier, oppervlakkig en vooral ironisch. De strekking was ongeveer dat het goedkope en niet erg duurzame zandsteen waar "Naatje' uit was vervaardigd symbolisch genoemd mocht worden voor de twijfel aan de hardheid van het in 1856 gevierde patriottisme, en dat dit met het granieten monument van nu wel anders was. En inderdaad, publiekelijk was het Nederlandse volk, inclusief partijen en pers, in 1956 onvergelijkelijk veel eensgezinder over het oorlogsmonument en de betekenis ervan - leed, herrijzenis, vrijheid - dan ten tijde van de onthulling van "Naatje'. De eensgezindheid over het begrip "vrijheid' zou wel tien jaar duren.

    • Henri Beunders