HET SUCCES VAN BLOEDDORST EN HEBZUCHT; Over het ontstaan van Europa

The Making of Europe. Conquest, Colonization and Cultural Change 950-1350 door Robert Bartlett 432 blz., gell, Allen Lane 1993, f 72,45 ISBN 0 713 99074 0

Eeuwenlang hadden Saksen en Slaven elkaars landen geplunderd, mannen vermoord, vrouwen en kinderen als slaaf genomen. Nog in 1104 hadden heidense Slaven de akkers rond Hamburg platgebrand. Maar in de twaalfde eeuw kregen de Saksen de overhand. In monotone regelmaat bleken ze overwinnaars en geen slachtoffers. In 1147 stak een ongebruikelijk groot aantal Saksen oostwaarts de Elbe over en begon, zoals gebruikelijk, te moorden en te brandschatten. Na enige tijd vroegen ze zich af wat ze eigenlijk aan het doen waren. ""Is het niet ons eigen land, dat we verwoesten?'' Ze hadden gelijk. Andermans land koloniseren bracht veel meer op dan het te plunderen.

Die overgang vond tussen de tiende en dertiende eeuw overal aan de grenzen van Europa plaats. In deze jaren verdubbelde het grondgebied van het Latijnse christendom, dus het gebied waar de eredienst gevierd werd in het Latijn op een wijze die was erkend door Rome. Rond 950 bestond dat gebied slechts uit de Britse eilanden en de resten van het rijk van Karel de Grote: Frankrijk, Duitsland ten westen van de Elbe, Noord-Italië, een klein reepje Spanje. Deze streken waren regelmatig slachtoffer van de strooptochten der moslims en heidense Vikingen en Hongaren. Vierhonderd jaar later was al het politiek georganiseerde heidendom in Europa verdwenen. De heersers daarvan hadden zich bekeerd of waren ten onder gegaan. Het westers christendom had vrijwel zijn huidige grenzen met de wereld van de islam en met het oosters christendom bereikt.

ZWARE CAVALERIE

De gebeurtenissen zijn bekend en vaak en goed verteld. Robert Bartlett, schrijver van Trial by Fire and Water, een prachtig boek over het middeleeuwse gebruik om juridisch lastige zaken te beslechten met behulp van het godsoordeel, behandelt deze expansie van het Latijnse christendom in The Making of Europe op een originele manier. Hij richt zich op de maatschappelijke dynamiek van verovering, kolonisatie en culturele veranderingen die aan de middeleeuwse uitbreiding van het westers christendom ten grondslag lag. Die twee processen - de expansie van een bepaald soort maatschappij en de verspreiding van een bepaalde vorm van het christendom - vielen niet helemaal samen.

Ierland was al gekerstend in de vijfde eeuw. Ierse monniken hadden bijna ieder Germaans volk in West-Europa bekeerd tot het christendom. Er kan geen twijfel over bestaan dat Ierland een volwaardig deel was van het Latijnse christendom. Toch lijkt de geschiedenis van Ierland in de twaalfde en dertiende eeuw op het lot van de gebieden die de expansie van het Latijnse christendom ondergingen. Een legermacht van zware cavalerie viel binnen en verdreef en verving de lokale politieke elite. Vreemde boeren vestigden zich. Steden met stadsrechten werden gesticht. Een muntstelsel en het gebruik van oorkondes om eigendomsrechten vast te leggen werden gentroduceerd.

Dergelijke koloniale vestigingen in het eeuwenlang christelijke Ierland vertoonden grote overeenkomsten met nieuwe nederzettingen in het heidense Brandenburg. Ook de andere Keltische landen waren in meer of mindere mate eerder de slachtoffers dan de dragers van de expansie van het Latijnse christendom.

Die expansie was dus niet simpel de uitbreiding van het gebied van een bepaalde godsdienst, maar de verspreiding van een bepaald soort maatschappij. Dragers van die verspreiding waren krijgers uit het gebied van het voormalige Karolingische rijk. Ridders uit Normandië werden heren in Engeland, Wales, Schotland en Ierland, in Zuid-Italië en op Sicilië, in Spanje en Syrië. Ridders uit Lotharingen vestigden zich in Palestina, uit Bourgondië in Castilië. Ridders uit het gebied tussen Rijn en Elbe verwierven nieuwe bezittingen van Polen tot Pruisen, en van Estland tot Hongarije. De krijgers verwierven hun nieuwe heerschappijen door ze met hun zwaard te veroveren of als gift van inheemse heersers die van hun diensten gebruik wilden maken. Ulster, Brandenbrug, Sicilië waren ontstaan door verovering. In Schotland, Pommeren en Silesië werden ze uitgenodigd door de plaatselijke vorsten.

HEBZUCHT

De krijgers waren succesvol in hun veroveringen en werden uitgenodigd vanwege hun militaire superioriteit. Die bestond uit een drietal elementen. Ze vormden een zware, gepantserde cavalerie, beschikten over kruisboogschutters, en bouwden kastelen. Die kastelen waren van een nieuw type. Ze waren klein van oppervlakte en ze waren hoog. In de vroege middeleeuwen waren versterkingen bedoeld geweest voor hele gemeenschappen, en dus veel groter. In Old Sarum staat het nieuwe Normandische kasteel in het midden van een oudere versterking, die vijfendertig keer zo groot is. Maar de nieuwe kastelen waren ontworpen om door een paar mensen verdedigd te kunnen worden. Daarom waren ze klein en hoog.

Omdat ze klein waren, konden er ook heel veel gebouwd worden. Uit de elfde en twaalfde eeuw stammen de talloze Newcastles, Châteauneufs en Nienburgs in Europa. In Engeland waren er rond het jaar 1100 zo'n vijfhonderd kastelen, en die waren bijna allemaal gebouwd in de laatste halve eeuw.

De krijgers die de dragers waren van deze nieuwe militaire technologieën waren geen aardige of beschaafde mensen. Ze wilden ook niet die indruk wekken. Ze presenteerden van zichzelf een beeld van kracht en doorzettingsvermogen, van wreedheid en bloeddorst, van hebzucht en begeerte. Het doel van hun terreur was heerschappij over land en over mensen. Ze waren daar, net zoals hun kroniekschrijvers, volstrekt helder over. Ook in de beschrijvingen door hun tegenstanders herkennen we hun zelfbeeld. De uiterst beschaafde dochter van een Byzantijns keizer beschreef met nauw verhulde fascinatie hoe ook de leiders van de Franken hun eer ontleenden aan hun persoonlijke moed en bedrevenheid met de wapens. De nette en beschaafde moslim Usaman schreef over ""de Franken... beesten met alleen de deugden van moed en vechten, maar verder niets''.

EEN HEEL KLEINE GROEP

Het is niet helemaal duidelijk waarom deze groepen krijgers in de hoge middeleeuwen zo tot veroveringen overgingen. Het militair gevolg was al heel lang een fundamentele sociale vorm in Europa. Het bestond uit een groep krijgers, die een heer volgden, en verbonden waren door eden, kameraderie, en een hoop op beloning. Het Ierland van voor de verovering door de Anglo-Normandiërs is een perfect voorbeeld van een samenleving waarbinnen de concurrentie tussen verschillende heren met hun militaire gevolg niet tot expansie leidde. Waarschijnlijk - Bartlett sluit hier aan bij recent onderzoek van Duitse en Franse historici - veranderde de structuur van de adellijke familie in het gebied van het oude Karolingische rijk in de tiende en elfde eeuw. Er ontstonden scherp afgegrensde families, die zich voortzetten langs de mannelijke lijn en de oudste zoon. Jongere broers, verwanten en vrouwen werden uitgesloten. Daardoor ontstond een grote groep jongere zonen die uit waren op een eigen gebied.

Bovendien was de krijgerstand nog niet gesloten. Na een uitzonderlijk succesvolle nachtelijke plundertocht in Calabrië maakte Robert Guiscard zijn voetsoldaten tot ridders. In de elfde eeuw was dat nog mogelijk. Geef een man een paard en een harnas, en hij is een ridder. In de dertiende eeuw waren de ridders tot een gesloten, erfelijke kaste geworden. Mischien is de uitzonderlijke expansiedrift van de Frankische krijgers te verklaren door de combinatie van beide mechanismen. Er ontstonden nog steeds gemakkelijk nieuwe ridders en het nieuwe familiestelsel zorgde voor weinig plaatsen.

De succesvolle krijgers of uitgenodigde ridders verwachtten van hun heer een leen, een stuk land dat ze als vazal zouden bezitten in ruil voor diensten, doorgaans militaire verplichtingen. De grootte van zo'n leen varieerde, maar zo'n vijf vierkante kilometer was wel het minimum, en dan van rijk boerenland. Het ging dus om heel kleine aantallen. Uiterst zorgvuldige onderzoeken hebben de naam opgeleverd van iedere mogelijke Normandische immigrant in Zuid-Italië in de elfde en twaalfde eeuw. Het zijn er 385.

Natuurlijk bieden de bronnen niet alle namen, maar het is volstrekt duidelijk dat het Normandische rijk in Zuid-Italië veroverd en bestuurd werd door een heel kleine groep, die numeriek in het niets viel vergeleken met de inheemse bevolking.

VRIJHEID

Het was dan ook niet alleen de komst van deze nieuwe politieke en militaire elite die tot fundamentele culturele en maatschappelijke veranderingen kon leiden. De nieuwe heren streefden welbewust naar de ontwikkeling van hun gebieden. Ze waren zeer prijsbewust. Tal van inventarisaties zijn bewaard gebleven. Misschien bleef voor deze feodale heren en grote kerkelijke vorsten hun geldinkomen alleen een middel, en werd het geen doel in zich, maar ze waren wel heel helder over het belang van dat middel en scherpzinnig over de manieren om het te vergroten. Ze introduceerden nieuwe sociale vormen en nodigden mensen uit om zich te vestigen in nieuwe dorpen en steden.

Migratie was vooral omvangrijk naar de gebieden ten oosten van de Elbe en naar het op de Moslims veroverde Spanje. In die streken veranderde de taal. Berlijn en Lübeck werden in deze eeuwen Duitssprekend. Hoogstwaarschijnlijk is de belangrijkste verklaring dat juist daar zo'n omvangrijke vestiging van boeren plaatsvond het feit dat men deze streken te voet kon bereiken en er geen zeereizen nodig waren.

De manier om boeren over te halen zich te vestigen was in hoge mate gestandaardiseerd. Men bood aantrekkelijke voorwaarden. In het begin van de ontginning werd een lage pacht en tienden gevraagd, of zelfs in het geheel niet, ook daarna bleven de lasten laag. In Brandenburg betaalden pachters rond 1300 ongeveer 20 procent van hun graanoogst aan verschillende verplichtingen. In Engeland betaalde boeren ongeveer de helft van hun oogst aan hun heer - en dan hadden ze de tienden voor de kerk en de koninklijke belasting nog niet voldaan. Bovendien werden de nieuwe boeren grotere rechten geschonken dan in het oude land gebruikelijk was. De nieuwe landen waren, zoals alle gebieden in Europa, het bezit van heren, maar ze waren tegelijkertijd ook streken van vrijheid.

De nieuwe dorpen produceerden ook op een nieuwe manier. Ze verbouwden graan, terwijl vroegere bewoners van de streken een veel gevarieerder aanbod van voedselbronnen gebruikten, van wild, honing en vis, naast vee en cultuurgewassen. Hoogstwaarschijnlijk leverde deze concentratie op één gewas een grotere maar ongezondere bevolking op.

Overal in Europa werden in de twaalfde en dertiende eeuw nieuwe steden gesticht. In Oost-Europa bestonden weliswaar al enkele grotere vestigingen, steden in een economische zin van het woord, maar de nieuwe kolonisten en heren brachten steden in de politieke zin van het woord, met hun eigen rechten en manier van besturen. Net zoals de nieuwe dorpen waren de manieren om nieuwe steden te stichten vergaand gestandaardiseerd in wettelijke voorbeelden. Het waren de talloze kleine marktstadjes, met hun kerken, markten en tollen die de culturele transformatie van Oost-Europa bewerkstelligden.

CONSORTIA

In de periode van deze transformatie was, zowel in de Keltische landen als in Oost-Europa, plundering en roof een belangrijke maatschappeljke activiteit geweest, niet de uitspatting van een wetteloze minderheid, maar de belangrijkste taak van de vrije mannen. Roof was de belangrijkste manier om goederen en arbeid te verwerven. De nieuwe boerderijen en steden van de twaalfde en dertiende eeuw maakten rente en pachten beschikbaar om de militaire en kerkelijke elite te onderhouden. In deze nieuwe economie was ook slavernij niet langer belangrijk.

De dragers van deze expansie waren dus niet de machtige monarchieën, maar een soort vrije ondernemingen, consortia van ridders, priesters, kooplieden, stedelingen en boeren. Tal van onafhankelijke rijkjes en rijken ontstonden op de grens van Europa, van het Valencia van de Cid, het Brandenburg van de markgraven, tot het Leinster van Richard Strongbow. Het is zelfs waarschijnlijk dat de groei in macht van de belangrijkste koninkrijken van West-Europa rond 1300 de expansie enigszins inperkte. De koningen slaagden er toen beter in de agressie te monopoliseren en alle militaire middelen van hun rijk zelf te gebruiken.

Wanneer zo'n koninkrijk zich richtte op uitbreiding, kon het buitengewoon effectief zijn. Edward I verwoestte aan het eind van de dertiende eeuw het rijk van de prinsen van Gwynnedd en voltooide zo de verovering van Wales. Maar doorgaans gebruikten de koninkrijken hun krachten tegen elkaar, zoals in de eindeloze strijd die bekend staat als de Honderdjarige Oorlog.

De middeleeuwse expansie had dan ook niet tot gevolg dat, zoals dat bij het moderne imperialisme en kolonialisme in zekere zin gebeurde, er een maatschappelijke differentiatie ontstond tussen moederland en koloniën, tussen centrum en periferie. Bij de middeleeuwse expansie vond als het ware een doorlopende reproductie plaats van de maatschappijvorm van de gebieden waar het proces begon. Maar juist aan de grenzen van het westers christendom kon die uniformering tot culturele afgrenzing en polarisatie leiden.

RACISME

Overal aan de grenzen van Europa ontstonden maatschappijen waar verschillende etnische groepen naast elkaar leefden, en waar van die verschillen politiek gebruik werd gemaakt. Toen Przemysl Ottokar II van Bohemen in 1278 zijn grote politieke crisis beleefde, deed hij, of beter, zijn Italiaanse secretaris, een beroep op de steun van de Polen met het argument dat Tsjechen en Polen verwant waren en bijna dezelfde taal spraken. De Poolse claim op Pomerelia, tegen de Duitse Orde, berustte op het feit dat iedereen daar Pools sprak. In Ierland bestond koloniale wetgeving tegen het gebruik van de Ierse taal. Sommige talen en culturen werden vernietigd. Het Pruisisch, een Baltische taal, nauw verwant met het Lets en Litouws, stierf uit in de zeventiende eeuw. In Spanje verdween geleidelijk het Arabisch.

Het was gebruikelijk om verschillende etnische groepen hun eigen wet te geven. Soms waren zulke groepen gelijkwaardig, zoals in Toledo, waar drie groepen christenen hun eigen rechten hadden, maar doorgaans bestonden er grote verschillen tussen beide groepen. De overwonnen Arabieren in Spanje kregen bepaalde rechten, waarbij hun jurisdictie en wetten gegarandeerd werden. In Wales werden de Welsh berecht volgens hun eigen wetten. Bij gemengde zaken, tussen leden van verschillende groepen, werd de zaak doorgaans toegewezen aan een rechter van het volk van de verdediger. Dat recht werd door Jacobus I van Aragon geschonken aan de Moslims van Játiva, net zoals de Duitsers die zich in Praag vestigden het bezaten.

In het algemeen nam met de loop der eeuwen de tolerantie af. Voor wat betreft de joden is dat al heel lang bekend. Hun positie verslechterde in de middeleeuwen voortdurend. Maar ook in de maatschappijen aan de grens van het Westerse christendom nam het racisme toe. Bij de Duitse orde werd pas in de vijftiende eeuw Duitse geboorte een absoluut vereiste voor lidmaatschap. Geleidelijk aan werd het in Oost-Europa noodzakelijk om Duitse afkomst te bewijzen om lid te kunnen worden van een gilde. (Het racisme ging ook een omgekeerde kant op. Er zijn buitengewoon scherpe anti-Duitse tractaten overgeleverd uit de veertiende eeuw, waarin wordt opgeroepen hen uit te roeien.)

Nog in de elfde of twaalf de eeuw had een Hongaarse geestelijke opgemerkt dat immigranten uit verschillende landen elk hun eigen vaardigheden meebrengen en zo de kroon roem en macht bezorgen. ""Een rijk van één volk en gebruik is zwak.'' Een paar eeuwen later was dit soort cultureel pluralisme verdwenen. De band met de moderne tijd is ook hier hecht. De kolonisten van Virginia hadden als kolonist in Ierland geleefd. De veroveraars van Mexico waren de nazaten van de krijgers die Spanje op de Moslims veroverd hadden.

    • Peter van Rooden