Geschiedenis kan worden afgeschaft

Leraren geschiedenis zeggen altijd, dat hun vak niet afgeschaft moet worden. Ik raak er steeds meer van overtuigd, dat ze ongelijk hebben. Het is al lang zo, dat het aantal lesuren in ieder schooltype te klein is om de minimaal noodzakelijke doelstellingen te bereiken. Dan is het eerlijker ermee op te houden. Je zegt ook niet dat elke leerling een goede marathon moet kunnen lopen, als je de trainingstijd beperkt tot een kwartier per week. Laat dan maar liever aan de minister van onderwijs weten, dat er een wanverhouding ontstaan is tussen doel en middelen, en dat je geen verantwoordelijkheid meer nemen wilt voor het resultaat.

Sinds kort weet ik dat er een tweede reden is. Je kunt er nog vrede mee hebben als onderwijs geen nut heeft. Het is dan weliswaar verspilling van tijd, maar dat hebben leerlingen gauw genoeg door, zodat de schade beperkt blijft. Ernstig wordt het pas, wanneer misbruik van het verleden de normale omgang met historische kennis blijkt te worden. Dan is volslagen onthouding altijd nog te verkiezen.

Laten we eens een paar actuele gevallen bezien. Het Kamerlid P. Lankhorst kritiseerde in een krant van 26 april de Partij van de Arbeid. Hij vond dat de socialisten er verkeerd aan deden de voorjaarsnota te accepteren. De PvdA moest oppassen, dat ze niet het beeld zou oproepen van een burgemeester in oorlogstijd.

In een krant van 29 april staat dat de hoogleraar Goddijn in een vermoedelijk wetenschappelijke publikatie eveneens een historische vergelijking heeft gemaakt. Hij ziet overeenkomsten tussen de benoeming van de behoudende bisschoppen Gijsen en Simonis in de jaren zeventig, en de Duitse inval van 1940.

In beide uitspraken is iets dat ons bekend voorkomt. In februari van dit jaar is er nogal wat beroering geweest over een artikel van monseigneur Sgreccia, die de Nederlandse euthanasiewet had vergeleken met de wetgevende praktijken van het nationaal-socialistische Duitsland. Een groot deel van de pers reageerde daarop met hoon en woede, en de regering deed officiële stappen om correctie van dit oordeel te krijgen.

Is er verschil tussen deze drie vergelijkingen? De derde ligt het meest voor de hand. Ze heeft betrekking op regelingen, die beide beogen mensenlevens te beëindigen langs andere dan natuurlijke weg. De geschiedenis levert daar niet veel voorbeelden van, als we toepassing van de doodstraf buiten beschouwing laten. De vergelijking bood zich daarom als vanzelf aan.

Voor de beide andere is dat minder duidelijk. De Duitse bezetters zijn in 1940 niet begonnen met de benoeming van nieuwe bisschoppen, en evenmin met reorganisatie van het stelsel van sociale voorzieningen. Het punt van vergelijking ligt hier niet in de maatregelen, maar in de mentaliteit. Die overeenkomst is groot genoeg, zo menen respectievelijk Lankhorst en Goddijn, om hedendaagse wereldlijke of kerkelijke gezagsdragers te vergelijken met een nationaal-socialistische, aan het Nederlandse volk vijandige overheid, die je vanaf het eerste begin moet weerstaan.

Dat geeft zulke historische parallellen een buitengewone scherpte. De bezettingstijd vroeg van burgemeesters en ook van gewone burgers iets anders dan de keuze tussen twee politieke alternatieven van verschillende kwaliteit. De eisen van de bezetter raakten direct eer en trouw. Wie gehoorzaamde maakte niet alleen zijn handen vuil; hij schond zijn geweten. En toch viel die beslissing zwaarder dan het kiezen voor of tegen de voorjaarsnota, want wie niet wilde meewerken zette zowel zijn vrijheid als zijn leven op het spel.

Daarom zijn zulke vergelijkingen niet alleen ongepast. Ze zijn onbehoorlijk. Het ware beter als Lankhorst en Goddijn niets van geschiedenis hadden geweten dan dat ze die zo misbruikten. Aldus toegepast dient historische kennis alleen om anderen te kwetsen. Dat lukt het beste met gebrekkige kennis, en dat is nu precies wat modern onderwijs de leerlingen bijbrengt.

Er bestaat een zekere gelijkenis tussen het lot van de geschiedenis en dat van de godsdienst. De laatste heeft haar culturele betekenis nagenoeg verloren. Onze beschaving kent Gods naam alleen nog als stopwoord. Maar omdat men met godslastering nog slechts een kleine minderheid kan kwetsen, lijkt het er op dat nu de voorraadkamer van de geschiedenis wordt aangesproken, om de taal met nieuwe krachttermen en beledigingen te verrijken. En omdat het onderwijs in de geschiedenis vooral de twintigste eeuw behandelt, is het jongste verleden de belangrijkste leverancier. Voetbalsupporters schelden hun tegenstanders niet uit voor hoeken of kabeljauwen, papen of geuzen, kezen of oranjeklanten. Ze roepen dat Ajax een jodenclub is. Hun kennis van de geschiedenis mist zowel diepte als uitgebreidheid. Maar ze is van hetzelfde gehalte als de boven geciteerde vergelijkingen. Laten we dus het vak geschiedenis afschaffen. Of we zullen het werkelijk erg moeten gaan vinden, als iemand er onzin over vertelt.

    • A.Th. van Deursen