EEN ONKREUKBARE KRANT

Changing Faces. A History of The Guardian 1956-88 door Geoffrey Taylor 354 blz., gell., Fourth Estate 1993, f 65,65 ISBN 1 85702 100 2

Langzamerhand kunnen zelfs verstokte anglofielen niet langer volhouden dat karakter en kwaliteit van de Britse landelijke dagbladpers hun sympathie voor dat land voeden. Dit medialandschap vertoont onderhand trekken van een vulkaan, op welks hellingen het slecht picknicken is. Serieuze krantelezers zullen de dagelijkse erupties van onzin uit de tabloid press - onafgebroken in werking sinds The Sun in 1970 openbarstte - mijden. Maar ook uit de zogenaamde kwaliteitskranten The Times en The Sunday Times stijgen geregeld de dampen op van eigenaar Rupert Murdoch. In de kolommen van het ooit zo integere zondagsblad The Observer klonken onverbloemd, tot voor kort in elk geval, de belangen van de controversiële zakenman-eigenaar "Tiny' Rowlands. En de emissies van The Daily Telegraph en diens zondagse evenknie geuren penetrant conservatief.

Blijven er twee veilige plaatsen over (als we even afzien van een gespecialiseerde uitgave als The Financial Times): The Independent met zijn zondagse uitgave, en The Guardian. Hoewel er over The Independent eigenlijk weinig slechts te zeggen valt, is het toch niet zo moeilijk te begrijpen waarom het satirische blad Private Eye, dat een nauwlettend waarnemer is van de Londense journalistieke produkties, deze krant gewoonlijk aanduidt als ""The Indescribablyboring'.

Zo komen we ten slotte uit bij The Guardian. Een krant die de eigenschappen heeft van de ideale vrouw: mooi van vormgeving; lief van karakter in de zin van ""vol mededogen met de wereld'; messcherp van intelligentie; een tikje onvoorspelbaar.

Hoewel de geschiedschrijver van The Guardian, Geoffrey Taylor, de vergelijking niet letterlijk trekt, schemert door zijn Changing Faces. A History of The Guardian 1956-88 dat de rest van "Fleet Street' - een aanduiding die nog steeds wordt gebruikt, al zijn de landelijke kranten nu bijna allemaal weg uit de omgeving van die straat - deze krant inderdaad bekeek zoals mannen vroeger een vrouw plachten te bezien: met vertedering, zonder haar helemaal au sérieux te nemen. The Guardian werd gelezen door pijprokende leraren in ribstof, en door bibliothecaresses die méér van het leven hadden verwacht. Aardige, goedwillende mensen allemaal, die in het bos geen papier achterlaten, maar een beetje "zacht'. Het was een krant met fatsoenlijk-progressieve opinies, en met weinig geld. Waar de concurrentie met vier eigen verslaggevers ter plaatse was, moest The Guardian het hebben van de berichten van de persbureaus plus een analyse van achter de Londense schrijftafel - briljant geschreven, dat wel.

ONBAATZUCHTIGHEID

Zo gaat dat vaker bij kranten die niet omwille van het gewin worden uitgegeven. Het ontstaan van The Guardian wees al in die richting. De krant werd in 1821 opgericht door een zakenman in Manchester die zich ergerde aan de bruutheid waarmee de plaatselijke overheid een menigte uit elkaar sloeg die kwam luisteren naar een tegenstander van de slavernij. Sindsdien nam The Manchester Guardian, zoals het blad bijna anderhalve eeuw heette, per definitie liberale standpunten in. De familie Scott, die de krant eind vorige eeuw door overerving in handen kreeg, droeg haar eigendomsrechten over aan een stichting. Aanvankelijk gebeurde dat alleen om de successierechten te ontgaan, maar in de loop van de decennia is de "Scott Trust' het symbool en de garantie geworden van de onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid van de krant. Wel is The Guardian geleidelijk agressiever en newsier geworden.

Door de historie van een dergelijk nobel persorgaan spoken geen tirannieke eigenaars, maar hoogst schilderachtige persbaronnen, die al even kleurrijke hoofdredacteuren naar believen benoemen en ontslaan. Er zijn weinig drama's, schandalen en affaires te melden. Het feit dat de krant in haar honderdzeventigjarig bestaan nog geen tien hoofdredacteuren heeft versleten, is van die kabbelende levensgang een symptoom.

In de periode die in hoofdzaak door Changing Faces wordt bestreken, van 1956 tot 1988, waren het er twee, van wie de laatste, Peter Preston, nog steeds in functie is (in dat opzicht heeft de titel van het boek maar een zeer betrekkelijke betekenis). In dit tijdvak kwam de ombouw tot stand van het gedegen, saaie, semi-regionale dagblad dat The Manchester Guardian toch wel lang is geweest, tot de levendige, toegankelijke nieuwskrant die nu onder de naam The Guardian in Londen is gevestigd om een landelijke en zelfs internationale lezerskring te bedienen. Sinds kort is het dagblad tevens eigenaar van The Observer zodat hoop mag worden gekoesterd op herstel van het zondagsblad in zijn oude reputatie.

Het bedaarde, bedachtzame verloop van de geschiedenis heeft ook zijn weerslag op de stijl van dit boek. Taylor heeft weliswaar een leesbare en zakelijke studie geschreven, maar sprankelend is zij niet. Gaandeweg groeit bij de lezer de achterdocht dat de auteur zelf daarmee iets te maken heeft. Geoffrey Taylor is, met een onderbreking van enkele jaren, van 1947 tot 1991 aan de krant verbonden geweest als redacteur en medewerker. Daarmee is hij geen onbevooroordeeld buitenstaander, maar een insider die mede de gebeurtenissen heeft bepaald waarover hij schrijft. Het vermoeden rijst dat Taylor onderkoelder en kleurlozer heeft geschreven dan hij zou willen of kunnen, om elk eventueel verwijt van "parti pris' of "afrekening' voor te zijn.

AFFAIRE

Deze gedachte komt wel heel sterk op bij de passages die Taylor wijdt aan wat tot nu toe de enige echte affaire is geweest waarin The Guardian verwikkeld is geraakt, de zaak-Sarah Tisdall. De secretaresse van die naam, werkzaam op het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, had in 1983 uit idealisme de krant een fotokopie gestuurd van een vertrouwelijk document. In dit stuk schetste minister van Defensie Michael Heseltine voor premier Margaret Thatcher de mogelijkheden om parlement en publiek rijp te maken voor de installatie van kruisraketten op de basis Greenham Common. The Guardian publiceerde het document, wat tot hevige politieke turbulenties leidde en tot een jarenlange belegering van de basis door de vredesbeweging. Het Londense High Court eiste van de krant dat het stuk werd teruggegeven aan het ministerie van Defensie in verband met een onderzoek naar het "lek'.

Hoofdredacteur Preston zag zich geplaatst voor het dilemma een vertrouwelijke bron te moeten prijsgeven (hij kende de afzender wel niet, maar kon aannemen dat experts aan de fotocopieën genoeg hadden daarover opheldering te verschaffen), of zelf te worden berecht wegens contempt of court. Hij koos voor de eerste optie, hoewel veel journalisten, ook bij The Guardian, het vanzelfsprekend hadden gevonden als hij het bewuste document tot een propje had gekneed en doorgeslikt. Sarah Tisdall werd inderdaad "ontmaskerd' en veroordeeld tot een half jaar gevangenisstraf, die ze grotendeels moest uitzitten. Over Prestons weinig heldhaftige beslissing zijn scherpe vragen te stellen, maar Taylor laat het bij een tamelijk droge weergave van de juridische discussie en commentaren pro en contra. Hij besluit zijn relaas over de affaire met: ""De dagen en weken na (...) Tisdalls veroordeling waren de meest deprimerende die de Guardian redactie zich kon herinneren.' Dat zal best, maar ik had wel willen weten welke harde noten hierover binnenshuis zijn gekraakt.

Desondanks is Changing Faces een waardevolle bijdrage aan de geschiedschrijving van de Britse pers, want Taylor schittert in zijn ontluistering van een mythe die telkens opduikt in de geschiedenis van media. Die luidt dat één enkele oorzaak, liefst een dramatische dan el herosche, verantwoordelijk is voor de neer-of ondergang van een bepaald periodiek. In het geval van The Manchester Guardian gaat het om de mythe dat het dagblad zijn even scherpe als terecht gebleken kritiek op de Britse rol in de Suezcrisis van 1956 heeft moeten bekopen met een massale desertie van de lezers. Taylor toont aan dat dit domweg niet zo was, al leven er blijkens het boek nog inspecteurs van de bezorging die zelfs nu maagkramp krijgen bij de herinnering aan de minachting waarmee ze door het publiek werden bejegend omwille van "Suez'.

OPRISPING

Ongetwijfeld zal menige Guardian-lezer zich in die tijd wegens een vaderlandslievende oprisping van zijn lijfblad hebben afgekeerd, feit is dat nog veel meer mensen de krant juist toen zijn gaan lezen. Taylor laat de oplagecijfers spreken: van 163.585 in juni 1956 tot 177.671 in december van dat jaar. Die groei zette zich in de jaren erna voort (tot een kleine 400.000 exemplaren nu). Wel tekende zich daarbinnen een daling af van het lezersaantal in het traditionele verspreidingsgebied, Manchester en de Midlands, tegenover een stijging in Londen en Zuid-Engeland.

Deze verschuiving had echter niets te maken met politieke voorkeuren, maar alles met de afkalving van de traditionele industrieën in het noorden en de opkomst van het zuiden als economisch kerngebied. Om die reden maakte de Scott Trust tegen het einde van de jaren vijftig eindelijk werk van een plan waarmee zij al sinds het begin van deze eeuw had gespeeld, en verplaatste de krant naar Londen. The Guardian moest zijn lezers achterna!

Aanvankelijk bleven de hoofdredactie en een belangrijk deel van de redactie echter in Manchester. Kopij, foto's en pagina-layouts moesten binnen korte tijd heen en weer worden overgeseind. De toenmalige stand van de transmissietechniek was nog niet berekend op een dergelijke intensieve elektronische communicatie. Het gevolg was dat de krant talloze malen nauwelijks gecorrigeerd ter perse ging. Aan de astronomische aantallen zetfouten per nummer ontleende het toen ook net voor het eerst verschenen Private Eye zijn koosnaampje voor dit dagblad: The Grauniad.