De nomade-mens van de Europabank

JACQUES ATTALI, de oprichter-president van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) die gisteren na een reeks van schandalen rondom zijn persoon gedwongen werd af te treden, koppelt een tomeloze energie aan eruditie, arrogantie en geldingsdrang.

De voormalige politieke adviseur van president Mitterrand heeft een groot aantal boeken over historische en filosofische onderwerpen geschreven. Zijn recentste boek, "Verbatim' (958 pagina's), het eerste deel van een serie over zijn tijd in het Elysée, heeft in verband met een beschuldiging van plagiaat een rol gespeeld bij zijn smadelijke neergang. Een vorig boek, "Millenium, winnaars en verliezers in de komende wereldorde', bevat een sardonisch betoog over de uitdagingen waarvoor de internationale gemeenschap staat na de val van het Sovjet-communisme. Daarin beschrijft Attali de "nomade-mensen' in de toekomstige samenleving die door computers en elektronica met elkaar verbonden zijn en ongehinderd door technische belemmeringen de wereld als werkplaats hebben.

Aan het hoofd van de EBRD gedroeg Attali zich als de nomade-mens uit zijn toekomstvisie. Hij reisde en schreef, hij gaf adviezen en werkte zonder de banale beperkingen van het gewone bestaan. Het heeft hem, twee jaar na de oprichting van de Oost-Europabank, zijn kop gekost. Attali mocht dan een geniaal denker, een inspirator en politiek wonderkind zijn, hij was geen manager van een bank met een kapitaal van 23 miljard gulden en hij had geen belangstelling voor organisatorische details. De EBRD, opgezet als Westers paradepaardje om de democratische omschakeling van plan- naar markteconomie in de voormalige Sovjet-Unie en haar ex-satellietstaten te ondersteunen, raakte verstrikt in schandalen over dure feestjes, overdadig marmer en de futuristische uitrusting van het Londense hoofdkantoor dat door een bevriende Franse architect was ingericht op kosten van de Britse belastingbetaler.

DE CONTROVERSES om de persoon van Attali en de stroom onthullingen over de ruzies binnen de staf en het bestuur van de EBRD hebben de aandacht afgeleid van de wijze waarop de Oost-Europabank haar taak uitvoert. Deze is niet indrukwekkend. De omvang van de project-portefeuille is vertekend, leningen van de EBRD blijken duurder te zijn dan van de Wereldbank, de opdracht om hoofdzakelijk steun aan de particuliere sector te verlenen kan niet worden waargemaakt omdat het aantal levensvatbare private bedrijven in de ex-communistische landen bedroevend klein is. Op zichzelf zijn deze tekortkomingen niet verrassend, want nagenoeg iedereen heeft zich verkeken op de moeilijkheidsgraad van het economische hervormingsproces in het post-communistische wilde Oosten. Desintegratie van geld- en handelsstelsels, burgeroorlogen, de afwezigheid van een behoorlijke infrastructuur en de schrikbarende daling van de levensstandaard maken de taak van wederopbouw ongelooflijk lastig. Wat de EBRD kan worden aangerekend is de aanmatigende houding, te beginnen bij haar president, dat het een historische voortrekkersrol zou gaan vervullen. Dat heeft Attali niet gehaald - alle marmer ten spijt.

In Oost-Europa en de ex-Sovjet-Unie reizen nu stafmedewerkers van de multilaterale ontwikkelingsbanken en ingehuurde Westerse adviseurs rond om de schade uit het verleden op te nemen en projecten voor de hervormingen te ontwerpen. Deze nomade-mensen met hun computers, hun harde valuta en overmaatse automodellen vormen voor de meeste Oosteuropeanen de eerste kennismaking met de kapitalistische denk- en werkwereld. Dat is waarschijnlijk onvermijdelijk, maar het is niet bevorderlijk voor het beeld in Oost-Europa van de Westerse samenlevingen.

DE EBRD IS, tussen de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds, de junior in het multilaterale gezelschap. De taak van het omschakelingsproces is groot genoeg om voor ieder van deze drie een specifiek werkterrein af te bakenen. De EBRD is begonnen zich te profileren op het gebied van steun aan middelgrote ondernemingen en Attali had ambities om bij te dragen aan beveiliging van kerncentrales en omschakeling van de militaire industrie. Die laatste terreinen zijn voor de EBRD waarschijnlijk een greep te ver, maar met betere procedures kan de Oost-Europabank voor het midden- en kleinbedrijf nuttig werk verrichten. Daarnaast heeft Attali de EBRD tot een spreekbuis gemaakt van de noodzaak de Europese markten te openen voor produkten uit Oost-Europa. Voor iemand afkomstig uit het meest protectionistische land van de EG, Frankrijk, was dat een verfrissend gezond geluid. De nomade-mens trekt verder en niemand hoeft over het vertrek van Attali rouwig te zijn. Maar die oproep om te vertrouwen op de voordelen van open handelssystemen verdient keer op keer herhaald te worden.