Daar is het voorbij voor ons

Het dagboek als boemerang. “Ik kan niet meer overlezen wat ik in het afgelopen jaar geschreven heb. De afgelopen week heb ik het ook niet meer bijgehouden. Nu hèb ik een eigen kamer en zou ik juist makkelijk moeten kunnen schrijven, maar als ik er in mijn eentje zit gaat het fout.” Met het hoofd voorover gebogen loopt Janny Nozinovc over het terrein van het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch waar ze nu bijna een jaar met haar moeder, haar broertje Salih en haar tante Nura verblijft.

“Ik moet praten, schrijven gaat niet meer”, zegt ze. In haar ogen staan tranen. Met stevige passen, handen in de broekzak, loopt ze het terrein af, richting centrum. Maar even buiten de poort verslapt haar gang en staat ze midden op het fietspad stil.

“Mijn neef Omer gaat ook al weg. Hij gaat in Goirle wonen. Er blijft niemand over met wie ik kan praten. En Omer heeft niet genoeg geld om regelmatig hier naar toe te komen. Moeder en ik maken bijna geen ruzie meer maar toch kan ik haar niet alles vertellen. Er zijn gewoon dingen die ze niet begrijpt.” Nu stromen de tranen over haar wangen.

Langzaam lopen we verder. Een trein dendert over het viaduct. Na een poosje zegt ze: “We kunnen echt niet terug, hè? Nura heeft het altijd wel gedacht. Ik bleef maar hopen. Weet je nog dat ik desnoods alleen terug wilde om te vechten? Ik weet nu wel beter.” Inderdaad, Nura heeft het afgelopen jaar zelden de indruk gewekt dat ze rekende op terugkeer naar Bosnië. Ja, toen ze hier net was en ze, zoals vrijwel iedereen, dacht dat het voor even was. Maar naarmate de herfst vorderde en de televisiebeelden niets aan duidelijkheid te wensen overlieten wist Nura: we kunnen niet terug. Over Zvornik werd steeds minder gesproken. Over de machteloosheid van Europa des te meer.

“Moeder beseft het ook. Vader probeert zelfs al hier naar toe te komen. Daar is het voorbij voor ons”, zegt Janny. “Maar hoe moeten we ons hier redden? We kennen hier niemand. Misschien moeten we straks wel weg uit het centrum naar een gewoon huis met vreemde buren.”

“Fysiek ben ik hier, geestelijk ben ik in Zvornik”, schreef ze op 7 augustus vorig jaar in haar dagboek. En later: “Ze denken dat wij nooit terug zullen komen, maar dat doen we wel en hoe. Wanneer dan ook zal ik terugkeren naar mijn vaderland, daar zijn de botten van mijn overgrootvaders, daar zullen ook de mijne zijn.”

“Zo voel ik het nog steeds. Hoewel ik nu weet dat we niet terug kunnen, gaat er geen dag voorbij of ik denk aan mijn stad, aan de Drina, aan m'n vrienden. Ik kan me op school moeilijk concentreren, het lukt gewoon niet.”

Even leek het erop alsof ook de disco geen afleiding meer bood. Maar onlangs was het weer raak - leuke muziek, dansen en drank. “Ik word bijna nooit dronken hoor, alleen de laatste keer bijna, met Omer. Maar het was leuk met hem. Vaak huil ik na afloop van de disco maar toen niet.”

“Nee, ik wil niets eten”, zegt ze als we bij de visboer in de binnenstad van Den Bosch staan. “Gebakken mosselen, heerlijk, moet je proeven.” Voorzichtig steekt ze er een in haar mond. “Lekker, maar ik hoef niets. Jij eet trouwens vaak op straat he?” Even breekt een lach door op haar gezicht.

“Weet je wat ik laatst droomde?” vraagt ze als we in een plaatselijk etabissement zitten. “Ik droomde dat ik door Zvornik liep. De straten waren vol met mensen en ik keek maar en keek maar ik herkende niemand.” Opnieuw tranen.

“Ik heb ook van mijn vriendin gedroomd. Zij is Servische. We kwamen elkaar tegen en hebben alleen maar naar elkaar staan kijken. We wisten geen van beiden wat we moesten zeggen.”

Bij het afscheid drukt ze zich tegen me aan. Haar schouders schokken. Dan loopt ze weg. Het hoofd naar beneden, handen in de broekzak.

    • Anneke Visser