COLA LOCA; DE WORDING VAN FAROEK (2)

Tot voor kort had Faroek geen belangstelling voor de culturen van Nederland. Niet omdat hij hoogmoedig of rancuneus was, maar omdat hij zich gewoon niet zo bewust was van het bestaan van zoiets als cultuur. Zijn eigen leefwijze, die van de Surinaams-hindoestaanse moslim, beschouwde hij als natuurlijk en normaal, en dat anderen anders leefden wist hij wel, maar het verwonderde hem niet. Tot hij een keer naar een Marokkaanse moskee ging en merkte dat Marokkanen heel verschillend omgingen met wat hij tot dan toe had gerekend tot "zijn' geloof. Het was zijn geloof helemaal niet, want er waren vreemdelingen die het deelden.

Faroek ging betrekkingen aan met die vreemdelingen, en je zou bijna kunnen spreken van een begin van betrokkenheid, van engagement, als dat woord niet zo was opgeslokt door een Westerse traditie uit de jaren zestig, waarin studenten en intellectuelen zich zo demonstratief mogelijk bekommerden om het lot van de bewoners van verre landen. Ze verenigden zich in clubs en comités, ze lazen boeken, veroordeelden of prezen de regeringen en bekritiseerden de buitenlandse ondernemingen die daar op een makkelijke manier probeerden geld te verdienen. Maar het verschil tussen Faroeks betrokkenheid en die van de vroegere derde-wereldactivisten is niet alleen dat Faroek geen verstand heeft van politiek, maar vooral dat zijn betrokkenheid niet voortkomt uit een soort morele verantwoordelijkheid of historische schuld. De activisten waren zich diepgaand bewust van het koloniale verleden en het imperialistische heden. Hun betrokkenheid was een genoegdoening voor alle leed en alle pijn die hun voorvaderen de rest van de wereld hadden aangedaan.

Faroeks fascinatie voor Marokkanen heeft geen diepere oorzaak dan een persoonlijke nieuwsgierigheid. Het is bij Faroek dus oppervlakkiger en lichter. Maar op een andere manier weer dwingender en vèrgaander. Want de derde-wereldactivisten van weleer gingen vooral zakelijke betrekkingen aan, ze dreven handel met die vreemde landen: daar zouden de armen een ideaal realiseren, in ruil waarvoor de activisten hier sympathie en een beetje geld zouden verzamelen. Maar net als een gewone ruilverhouding kon ook deze makkelijk worden verbroken. Toen de geleverde waren niet aan de eisen voldeden, en hervorming geen vooruitgang bleek en socialisme geen vrijheid, werd de zakenrelatie stilzwijgend beeindigd.

Faroek daarentegen ging geen ruilverhouding, maar een vriendschappelijke verhouding aan met de aanwezigen in de vreemde moskee. Vriendschap is minder vrijblijvend, vriendschap veronderstelt een emotionele bewogenheid die de rede te boven gaat. Een goede vriend ziet en bekritiseert niet alleen je stommiteiten, maar vergeeft je die ook. Vriendschap is, zoals elke vorm van liefde, gebaseerd op dwaasheid. Ze is onbestemd en zinloos, en daarom misschien zo hecht. Terwijl men bij een zakelijke verhouding als het ware bij de deur blijft staan en de relatie in en uit kan lopen, wordt bij vriendschap de deur niet alleen op slot gedaan, maar ook nog dicht getimmerd. Wie uit een vriendschappelijke relatie wil stappen moet een uitgang forceren, met drama en ruzie. Vriendschap slaat daarom nooit om in onverschilligheid, maar in welgemeende vijandschap.

Faroeks betrokkenheid bij de vreemde cultuur heeft niet alleen andere oorzaken, maar ook andere gevolgen, vergeleken bij de vroegere derde-wereldactivisten. Die activisten vormden gezamenlijk een subcultuur met een eigen manier van denken, handelen en kleden. Als er iets gebeurde dat hen raakte, kregen ze geen verdriet, maar werden ze woedend en gingen ze de straat op om te demonstreren - voor klamboes en medicijnen en de vrijlating van politieke gevangenen of de opheffing van handelsblokkades. Maar het enige spoor dat het verdwijnen van de betrokkenheid van de activisten naliet, was het verdwijnen van die subcultuur.

Het gevolg van Faroeks betrokkenheid is eigenlijk alleen maar dat hij zich verwondert: over het feit dat Marokkanen liever schapevlees eten dan rundvlees, met safraan koken in plaats van met kerrie, vaak wierook branden, van andere muziek houden, in een ander soort auto's rijden. Die verwondering slaat om in verwarring: waarom doen Surinaamse moslims zoveel dingen anders? Waarom maken ze geen sneetje in de nek van een baby om het kwade bloed weg te laten stromen? Omdat het arbitrair is, zal Faroek tenslotte beseffen. Omdat het niets uitmaakt of je het afgeschoren haar van een kindje in een lapje deeg wikkelt en in stromend water gooit, dan wel in de grond begraaft. Faroek zal zo de ware betekenis van cultuur ontdekken: de manieren waarop we de dingen doen, waar we achteraf een betekenis voor bedenken, opdat die manieren niet hoeven veranderen.

Faroek wordt dus meer dan een toevallige passant, meer dan een toerist. Een toerist zoekt ook vreemde culturen op uit nieuwsgierigheid, maar die nieuwsgierigheid is anders. De toerist wil waarnemer zijn, geen deelnemer. Hij wil de vreemde cultuur bespieden en zelf onkwetsbaar blijven. Faroek daarentegen stelt zich open, hij wordt participant, in plaats van voyeur. Als de Marokkanen bidden, bidt hij mee, niet omdat het de vriendschap ten goede komt, maar omdat hij er heilig in gelooft.

Maar de vraag is hoe ver Faroek daarin wil gaan. Als Faroek plotseling wierookjes gaat aansteken in het berghok waarin hij zijn kapperszaak heeft, en gaat rondlopen in zjelebba's, als Faroek zijn klanten probeert te overtuigen van het nut van het maken van een sneetje in de nek van de pasgeborene, opdat het kwade bloed wegstroomt, is Faroek geen kritische vriend meer, maar een dweper. Hij gaat dan op in de Marokkaanse cultuur, hij aanvaardt die cultuur als een totaalpakket, hij identificeert zich zo met de Ander, dat hij die Ander helemaal wordt. Een dweper geeft zich over, hij wordt een vos in plaats van een jachthond, hij vergroot niet zijn culturele repertoire, hij vervangt het.

Faroeks ontdekkingsreis door de Marokkaanse cultuur zal pas succesvol zijn, als hij door die reis een speciale vaardigheid ontwikkelt, een "culturele competentie', zoals antropologen het noemen. Het vermogen om te ontleden, om de drijfveren en verlangens van Anderen aan te voelen en erover na te denken, en om zo te komen tot nieuwe waarheden. Niet per se grote waarheden, waar intellectuelen het over hebben, maar kleine waarheden; bijvoorbeeld dat Marokkanen onderling verschillen, dat ze hun eigen coalities en vijandigheden hebben, dat ze elkaar net zo vaak helpen als dwars zitten.

Faroek zal daarom oog moeten hebben voor alle eigenaardigheden, maar hij zal moeten kiezen. Hij zal de waardevolle eigenaardigheden moeten waarderen en de waardeloze verwerpen. Hij zal moeten onderhandelen met die vreemde cultuur en hij zal zijn nieuwe ervaringen moeten relateren aan zijn eigen idealen, waar hij zich langzaam bewust van wordt. Hij zal moeten oordelen, aan de hand van zijn eigen maatstaven, die tegelijk aan verandering onderhevig zijn. Hij zal zich ergeren aan de lelijke dingen die hij ziet, zowel bij de vreemdelingen als bij zijn "eigen' mensen, maar hij zal begrijpen waarom hij zich ergert. Hij zal begrijpen dat die dingen niet op zichzelf ergerlijk zijn, maar dat hij ze ergerlijk vindt. En dat hij daar recht op heeft.

Faroeks reis door de wereld van Marokkanen zal dus pas geslaagd zijn als die ertoe leidt dat zijn zelfrespect en zijn eigenwaarde toeneemt. Hij zal niet alleen de Ander leren kennen, maar vooral ook zich Zelf - en inzien dat hij altijd een slecht barbier zal blijven, maar daarom nog wel een goed mens kan worden.

    • Anil Ramdas