BEROEPSBEVOLKING

Het aandeel in de beroepsbevolking van landbdouw en visserij in Nederland was in 1899 nog 30,8 procent en daalde in 1930 tot 20,6 procent, in 1960 tot 10,7 procent en in 1992 tot 4,2 procent. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, medegedeeld door Ferry Versteeg (NRC Handelsblad, 19 juni).

Hierbij moeten we wel bedenken dat in 1899 Nederland 5,1 miljoen inwoners telde en dat we nu op zo'n 15 miljoen "zitten'. Het aantal personen werkzaam in de landbouw en in de visserij geeft een enigszins ander beeld. In 1899 waren dat (x 1000 en afgerond) 592, in 1909 : 640, in 1920 : 640, in 1930 : 655 in 1947 : 747, in 1960 : 446, in 1971 : 290, in 1981 : 271, in 1991 : 293. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De mechanisatie van de landbouw speelt hierbij ook een grote rol.