Alle partijen hebben op Weense conferentie een veer moeten laten

WENEN, 26 JUNI. De VN-conferentie over de mensenrechten in Wenen (WCHR) is gesloten in afwezigheid van secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali. Die zegde op het laatste moment af en gaf de voorkeur aan een reis naar Kairo voor de top van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. De hoogste gast op de slotzitting was nu de Namibische president Nujoma, wiens politieke organisatie SWAPO eens een bedenkelijke reputatie op het gebied van de mensenrechten had.

Terwijl de slotzitting gistermiddag al in volle gang was, gingen de onderhandelingen in zaal F van het Weense conferentiecentrum aan de Donau stug door. Nadat de delegaties twee weken lang het meest controversile punt van de agenda voor zich uit hadden geschoven, moesten ze er nu aan geloven. Aan de orde was de vraag of een Hoge Commissaris voor de rechten van de mens moest worden ingesteld. Met de benoeming van zo'n functionaris, die op hoog niveau alle activiteiten van de mensenrechten binnen de Verenigde Naties zou moeten coördineren, wilden met name Westerse landen duidelijk maken dat het hun menens was met het verlangen de VN beter uit te rusten voor het beschermen van de rechten van de mens. Voor islamitische landen daarentegen was de Hoge Commissaris een steen des aanstoots omdat ze vreesden dat die hen zou dwarsbomen.

Op hetzelfde moment dat Nujoma zich in zijn rede vóór zo'n Hoge Commissaris uitsprak trokken de partijen hun voren door een compromistekst van hun voorzitter. Het resultaat was een aanbeveling aan de Algemene Vergadering van de VN om in haar eerstvolgende zitting, die in september begint, de benoeming van een Hoge Commissaris voor de mensenrechten “als zaak van prioriteit in overweging te nemen”.

Het leek een slappe formule, maar het is meer dan Westerse landen aan het begin van de conferentie hadden durven hopen. "Beperk de schade' was toen het devies, zeker nadat tijdens voorconferenties van Aziatische en Afrikaanse was gebleken dat het zogeheten "principe van universaliteit' in gevaar was. Vooral Aziatische landen - waaronder in VN-verband ook de landen in het Midden-Oosten gerekend worden - onderstreepten namelijk dat ook “nationale en regionale bijzonderheden en de uiteenlopende historische, culturele en religieuze achtergronden” in aanmerking genomen moesten worden.

In Westerse hoofdsteden werd alarm geslagen. De aanvankelijke hoop dat de Weense wereldconferentie na het verdwijnen van de ideologische tegenstelling tussen Oost en West een impuls zou kunnen geven aan versterking van het mensenrechtenapparaat van de VN leek ijdel. Toch is dat laatste, zij het in geringe mate, gebeurd. Het gevecht om de Hoge Commissaris wordt binnenkort elders voortgezet, maar wel op een plaats waar besluiten kunnen worden genomen - wat in Wenen niet kon.

Verder heeft de conferentie aan de Algemene Vergadering van de VN verzocht om “onmiddellijke stappen te nemen tot een substantiële toename van de middelen” van het VN-programma voor de mensenrechten. Dat is een steun in de rug van het nu archasch uitgeruste en met gebrek aan mankracht kampende mensenrechtenapparaat van de VN. Hetzelfde geldt voor het verzoek aan de secretaris-generaal en de Algemene Vergadering om het Geneefse Centrum voor de mensenrechten “te voorzien van voldoende mankracht, financiële en andere middelen”. Een adder onder het gras is echter de voetnoot dat daarbij de middelen die andere belangrijke VN-programma's nodig hebben niet mogen worden vergeten.

De conferentie wil verder dat de VN blijft werken aan de instelling van een "internationaal hof voor strafrechtspleging'. Dat kan een permanente rechtbank zijn die individuele schenners van de mensenrechten moet bestraffen, zoals het op te zetten Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, dat oorlogsmisdadigers in het vroegere Joegoslavie moet berechten.

Ook is in de verklaring en het actieprogramma van de Wereldconferentie over mensenrechten vastgelegd dat landen individueel aanspreekbaar zijn bij schendingen van de mensenrechten. Zo wordt de bevordering en bescherming van alle mensenrechten tot “legitieme zorg voor de internationale gemeenschap” uitgeroepen. Bovendien is uitdrukkelijk uitgesproken dat alle mensenrechten “universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden” zijn. Wel is daaraan toegevoegd dat de internationale gemeenschap de rechten van de mens mondiaal moet toepassen “op een eerlijke en gelijkwaardige manier, op dezelfde basis en met dezelfde nadruk”. Het is de “plicht van staten, ongeacht hun politieke economische en culturele stelsels” alle mensenrechten en fundamentele vrijheden “te bevorderen en te beschermen”. Het Aziatisch-islamitische "cultuurrelativisme' komt echter om de hoek kijken in de aantekening dat hierbij “de diverse historische, culturele en religieuze achtergronden” in gedachten moeten worden gehouden.

Misschien is de meest bijzondere prestatie van de Wereldconferentie nog dat men erin is geslaagd het volkenrecht een stapje verder te ontwikkelen met deelneming van tientallen landen die er geen boodschap aan hebben; landen die - zo blijkt uit betrouwbare internationale rapporten - er alle belang bij hebben dat de schending van de mensenrechten niet onder de aandacht van de internationale gemeenschap komt.

In het politieke gevecht op de Weense conferentie had het Westen, en vooral West-Europa minder succes. Vooral de islamitische landen wisten de bijeenkomst te plaatsen in het teken van "Bosnië' en hoewel het Westen dat van tevoren had beseft, had het daar geen adequaat antwoord op. Dat die schendingen plaatshadden in Europa, op een paar honderd kilometer van Wenen, bracht de machteloos gebleken Westerse landen in grote verlegenheid.

De Bosnische kwestie legde niet alleen een hypotheek op de Weense conferentie. Ze "verrijkte' ook het volkenrecht. Voor het eerst in VN-documenten op het terrein van de mensenrechten werd het begrip “etnische schoonmaak” opgenomen, in sterk veroordelende zin wel te verstaan, en onder het hoofdje "Racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en andere vormen van intolerantie'. Of de getroffen individuen daarmee in de toekomst ook recht wordt gedaan moet echter nog blijken.

1 maart 1993: De Haagse wethouder van financiën en cultuur, A. van den Berg treedt af. Aanleiding vormen de tekorten bij het Gemeentemuseum, die in 1991 en 1992 tijdens het bewind van R. Fuchs opliepen tot 3,9 miljoen gulden.