VAN EIGENHEIMER TOT DORÉ; De Aardappeleters, het afschuwelijkste schilderij van de 19de eeuw

Vincent van Gogh had hoge verwachtingen van zijn schilderij De Aardappeleters. Het hangt nu samen met voorstudies, tekeningen van Van Gogh en maaltijdschilderijen op de zomerpresentatie van het Van Goghmuseum in Amsterdam. “Was het niet verregaand naëf van Vincent van Gogh om te veronderstellen dat "dat geval van die boeren rond een schotel aardappelen' zoals hij het concept voor De Aardappeleters zelf noemde, ook maar een schijn van kans zou maken om tentoongesteld te worden? Is het een verdienste om het afschuwelijkste schilderij van de negentiende eeuw te hebben geschilderd?”

Tentoonstelling: De Aardappeleters van Vincent van Gogh. Zomerpresentatie in het Van Goghmuseum, Amsterdam. T/m 29 augustus.

Als er iemand voorbestemd was om De Aardappeleters te schilderen dan was het wel de eigenzinnige redeneerfanaat Vincent van Gogh, zelf een eigenheimer in hart en nieren. Was het bij willekeurig welke andere schilder om het even geweest of er een schotel Franse frietjes of gebakken kriel op tafel had gestaan, bij hem moesten het die ongelikte knollen zijn die De Aardappeleters zelf in het zweet huns aanschijns uit de grond geklauwd hadden, alsof hij, met zijn verstikkende messiascomplex volop in de penseelvoering, die sombere vruchten van moeder aarde als het ware wilde laten roepen tot die uit de klei getrokken avondmaalgangers, "Neemt, eet, dit is mijn lichaam!'

Is het een verdienste om het afschuwelijkste schilderij van de negentiende eeuw te hebben geschilderd? Wel als je het met zo'n waanzinnig fanatieke inzet doet, begeleid door zoveel verbaal brievengeweld, dat de toeschouwer, met de rug tegen de muur geschreven, bijna gedwongen wordt zijn afgrijzen in bewondering om te zetten.

Was het niet verregaand naëf van Vincent van Gogh om te veronderstellen dat "dat geval van die boeren rond een schotel aardappelen' zoals hij het concept voor De Aardappeleters zelf noemde, ook maar een schijn van kans zou maken om op de Parijse Salon of waar dan ook tentoongesteld te worden? Nogal. Want het bleef ver beneden de maat van wat men toen technisch van een schilderij verlangde. Er werd in die tijd in Nederland soms verrassend goed geschilderd. Door Willem Roelofs, door Albert Gerard Bilders, door Gabriël en door Jozef Israëls die vissers schilderde die al voorlopers lijken van de arbeiders die de beeldhouwer Meunier later zou vervaardigen. Door de neven Weissenbruch, door Poggenbeek, die in hetzelfde jaar geboren was als Van Gogh en vooral door Jan Toorop die in 1887 een zee schilderde waar Monet met graagte in had willen onderduiken. Je zou denken, die schilder met zijn Indische achtergrond wordt de pelopor van de moderne Nederlandse schilderkunst, die trekt naar Arles om de zon op het linnen te gaan ranselen. Maar nee, als een oliebol is hij in de Delftsche slaoliereclame ten onder gegaan. Hij ging symbolistisch schilderen en verslonsde zijn Inspiration sacrée in wijwater tot een braakmiddel van perverse schijnheiligheid. Het moest toch allemaal van die stugge bezeten calvinistische man komen die vooralsnog een achterstand van jewelste had op zijn getalenteerdere tijdgenoten. Er is geen groter contrast denkbaar dan tussen De Aardappeleters, dat uit te lang gekookte spinazie en rapenmoes gemetseld lijkt en waarvan de figuren doortrokken schijnen van een deerniswekkende aardappelmoeheid, en Le Déjeuner des Canotiers van Renoir, dat zelfs nog enkele jaren voor die vierkante meter zwart verdriet geschilderd is. Hoe heeft Vincent van Gogh het geklaard om in een paar jaar tijd die achterstand in te lopen en met de razende snelheid van het licht in een stroom van honderden schilderijen en tekeningen vast te leggen hoe de schepping in elkaar steekt.

De Aardappeleters, waarvan de verf door het overvloedig gebruik van copavabalsem nog steeds niet uitgehard is - ik heb trouwens nooit in de veronderstelling verkeerd dat ons op het schilderij droogkokers voorgeschoteld werden - is vaak onbarmhartig bekritiseerd. De figuren, die uit een traag bewegend tableau vivant uit de grotten van het pretpark De Efteling lijken te zijn gestapt, zouden anatomisch op geen enkele manier kloppen. Dat doen ze ook beslist niet, maar trefzeker als in een nachtmerrie beantwoorden ze feilloos aan de anatomie van een gruwelsprookje van Grimm. Ook zou de perspectief rammelen als een roe met knaapjes in een lege klerenkast. Dat is ongetwijfeld het geval, maar de perspectief van zijn gevoel, met als verdwijnpunt het hart van de toeschouwer, is loepzuiver.

Volgens Vincent van Gogh, in een brief aan een kennis, zou zijn broer Theo geschreven hebben dat je bij het beschouwen van het schilderij "de klompen der aanzitters kont horen rammelen'. Dat moet dan wel een holle danse macabre van een laag bij de grondse spiritistische séance geweest zijn, want uit de correspondentie met Theo, die men toch niet licht zal verdenken van een gebrek aan geloof, hoop en liefde voor de artistieke werkzaamheden van zijn broer, blijkt nogal wat kritiek.

Het is ook een van de wonderbaarlijkste vertellingen uit de geschiedenis van de schilderkunst, die Aardappeleters. De vrouw die de cichorei als geronnen bloed uit de ketel in de kommen laat druipen heeft veel weg van een in het moeras van het buitenleven verstrikt geraakte en door de Brabantse zon sufgestoofde Hendrickje Stoffels, terwijl haar schildersvriend, die in dierlijke begerigheid haar zijn kom toesteekt en lijkt te stamelen, "Geef mij nog wat van dat rode, dat rode daar.', volkomen dufgepikt door de gezonde dennengeur voorgoed vergeten is dat hij zichzelf eens vergeestelijkt heeft afgebeeld als de apostel Paulus.

De mannelijke figuur links op het schilderij, een uitgeteerde vleermuis in vlerk en rag gedrapeerd, lijkt als een spontane generatie uit de dampige zompen van de Baliemvallei omhoog te zijn gekropen. Alleen het vrouwspersoon dat naast hem zit ontsnapt enigszins aan de karikaturale zetting van het schilderij, en is blijven lijken op de bijna zwierige Frans Halsachtige opzet die Van Gogh als voorstudie van haar maakte. Maar de knuisten voorzien van vorkjes als prothesen waarmee deze verwanten van kapitein Haak gelaten naar de aardappels prikken, drukken je onverwijld terug in de sfeer van het griezelsprookje en brengen de dichtregels van Staring in herinnering, "Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?'

Van de kant van de critici is er nogal wat misverstand geweest over die bedompte grot met negentiende-eeuwse Neanderthalers die toch niet ongezellig bij elkaar schurken rond het avondmaal. De dichter Adama van Scheltema kreeg er het schuim van op de mond en noemde onze nobele schilder "een bommen werpende anarchist' en meende dat hij gegeseld diende te worden om de hoon die zijn medeschepselen aangedaan was. "Hij heeft mensen geschilderd als krankzinnige dieren, met alles, alles op het gelaat wat van den duivel is.' "Waarlijk deze gevaarlijke mens, dit afschuwelijke kind van de hartstocht en krankheid, dat zeker nooit menschelijk brood heeft gegeten, nooit menschelijke tranen heeft gestort, hij is onze vijand.' Maar een iets minder door hersenverweking aangetaste criticus als Just Havelaar, sprak ook van "bestiaal en cynisch: 't is de wreedaardigst denkbare menschen-hoon.' En de dichter Albert Verwey schreef, "menschen van wie gezicht en leden, hetzij door eigen arbeid en armoede, of door de gewoonte en ellende van hun voorouders, geplet, verdraaid of verwrongen zijn.'

De zomerpresentatie in het Van Goghmuseum De Aardappeleters van Vincent van Gogh - die beslist door alle bewonderaars van Van Gogh bekeken dient te worden, want als je je interesseert voor de raket die hemelenhoog tussen sterren en kometen de ruimte doorboort moet je ook met liefde het zwartgeblakerde lanceerplatform betreden - bestaat niet alleen uit dat schilderij en vele geschilderde en getekende voorstudies ervoor, die er vaak uitzien alsof het werk met gutsen en beitels in weerbarstig hout gekerfd moest worden. Er is ook een zaaltje met schilderijen van tijdgenoten die min of meer hetzelfde onderwerp hebben behandeld. Karige maaltijden dus van Jozef Israëls, Albert Neuhuys, Max Liebermann. Allemaal bekwaam geschilderd, zonder vals sentiment of gevoelsuitwassen voor die minst bedeelden onder de zon, de armen van geest en goed. Geen draaierig makende perspectief, geen anatomische onmogelijkheden. Je loopt erlangs alsof je bij even zovele boerenhoeven onaangedaan naar binnen kijkt. En dan gebeurt er toch iets raadselachtigs. Door al die brave taferelen heen, tot in de puntjes correct gepenseeld, doemt ineens dat gedrochtelijke stel aardappeleters van Van Gogh op. Ze schroeien door al dat ambachtelijk behandelde linnen heen. Je zou wel willen vlieden in grote haast. The horror! The horror! Maar er is geen ontkomen aan. De roodharige mythomaan uit de pastorie in Nuenen heeft je in zijn greep.

Dat hele konijnehok vol opgekropte menselijkheid zit voorgoed op je netvlies geëtst.

Als een duistere raaf is dat droevige schilderij, waarvan hij zoveel verwachtte bij de aanvang van zijn schilderscarrière, ook door zijn brein heen blijven dwarrelen. Zelfs onder de stralende zon van de Midi kon hij zich niet van die loodzware kleifiguren bevrijden. Vanuit Arles schrijft hij op 8 september 1888 aan zijn broer Theo over Het Nachtcafé dat hij net heeft geschilderd, "het hele schilderij is een van de lelijkste die ik heb gemaakt. Het is vergelijkbaar met de Aardappeleters en toch anders.' En een paar weken voor zijn dood schrijft hij vanuit Saint Rémy, "Ik denk erover het schilderij van de boeren aan de maaltijd, met lamplichteffect, over te maken. Dat doek zal nu wel helemaal zwart zijn, misschien kan ik het uit het hoofd helemaal overmaken.'

En zo had het moeten gaan. Een set vuurwerk in die bedompte Brabantse hut laten exploderen. Peach Blossom, Flying Cranes, Star Light. Even die hele verdofte familie met chromaatgeel en geraniumlak, met veronese groen en ultramarijn, met kobaltblauw en smaragdgroen nieuw leven inblazen. Van die melancholieke papoea de boerenjongen maken met een anjer tussen de lippen die hij in Auvers-sur-Oise schilderde, die zwaarmoedige Hendrickje Stoffels metamorfoseren in een absinth schenkende Adeline Ravoux, de verdierlijkte Rembrandt de gele pet van dokter Gachet opzetten en een tak digitalis in de hand drukken en van de vrouw met de boerenmuts Augustine Roulin maken voor een wand van bloemen. En die kleffe aardknollen veranderen in een schaal van goud zonlicht spetterende doré's die schreeuwen om opgegeten te worden.

    • Jan Wolkers