Scheiding tussen produktie en distributie heeft afgedaan; Nieuwe golf stroomfusies op til

ROTTERDAM, 25 JUNI. Zijn de Nederlandse energiebedrijven van hun geloof gevallen? Die vraag dringt zich op na de aankondiging eerder deze week van de stroomproducent Epon en de energiedistibuteurs Edon en PEB/PGEM nauwer samen te werken.

Nog geen tien jaar geleden gold een strikte scheiding tussen produktie en distributie als noodzakelijke voorwaarde om Nederland aan een concurrerende stroomprijs voor met name de industriële afnemers te helpen. Dit leidde in de tweede helft van de jaren tachtig tot ontvlechting van de van oudsher nauw met elkaar verweven produktie- en distributiebedrijven.

En nu wordt het roer weer omgegooid. Epon, Edon en PEB/PGEM gaan af op de vorming van één gentegreerd bedrijf voor stroomproduktie en de distributie van stroom en gas in het noorden en oosten van het land. In het zuiden bereiden de stroomproducent EPZ en de distributiebedrijven Mega, PNEM en Delta een soortgelijke koerswending voor.

Is de ontvlechting geen succes, of is er wat anders aan de hand? Voor het antwoord is het nodig drie aspecten te belichten. Het eerste heeft te maken met de bijzondere structuur van de energievoorziening. Traditioneel gaat het daarbij om lokale of regionale monopolies. Doel van de ontvlechting was deze monopolies te prikkelen tot meer doelmatigheid en slagvaardigheid. Dat zou de stroomprijs ten goede komen, oordeelde men. Zo kregen de distributiebedrijven meer armslag. Ze werden niet langer met handen en voeten gebonden aan het produktiebedrijf in hun regio. Als een stroomproducent in een andere regio goedkoper was, dan mochten ze ook daarmee zaken doen. Ook de industriële grootgebruikers kregen meer bewegingsvrijheid. Zij mochten zelfs stroom uit het buitenland halen. Formeel werd de ontvlechting bekrachtigd in de nieuwe Elektriciteitswet van 1989.

In de praktijk kwam van deze "financiële prikkels' niet zoveel terecht, althans niet in het noorden, oosten en zuiden van het land. Enerzijds komt dat door de ontwikkeling van de stroomprijs. Die behoort in Nederland tegenwoordig tot de laagste in Europa, zodat grote afnemers weinig aanleiding hebben hun heil over de grens te zoeken.

Anderzijds reduceerden de eigendomsverhoudingen de ontvlechting goeddeels tot een schijnbeweging. Want de scheiding leidde wel tot verzelfstandiging van de produktiebedrijven, maar deze bleven exclusief in handen van de distributiebedrijven. Zo is stroomproducent Epon volledig eigendom van de distributeurs Edon en PEB/PGEM, die zich natuurlijk wel tien keer achter de oren krabben voordat ze hun eigen dochter Epon opzadelen met verliespost door hun stroom van een andere producent te betrekken. (In het westen van het land ligt dit anders. Daar heeft de scheiding tussen produktie en distributie meer om het lijf, doordat de twee stroomproducenten die daar zitten - Una in Noord-Holland en Utrecht, en EZH in Zuid-Holland - niet in handen zijn van distributiebedrijven, maar van gemeenten en provincies.)

Het tweede aspect dat een rol speelt bij de strategische heroriëntatie van de energiebedrijven geldt de voortschrijdende schaalvergroting. Tien jaar geleden telde Nederland 16 bedrijven die zich bezig hielden met grootschalige opwekking (en distributie) van elektriciteit en daarnaast 70 aparte distributiebedrijven. Nu zijn er 4 stroomproducenten en 45 stroomdistributeurs.

Dit proces gaat door, waarbij regionale accentverschillen optreden. In het noorden, oosten en zuiden is de strijd om de regionale schaalvergroting zo'n beetje gestreden en vrijwel zonder uitzondering beslecht in het voordeel van de stroomdistributeurs. Zij fuseerden niet alleen onderling in hoog tempo, maar kochten en passant ook tientallen (meestal gemeentelijke) gasdistributiebedrijven op. De volgende fase is logischerwijs rentegratie van produktie en distributie om nieuwe investeringen beter op elkaar af te kunnen stemmen en ook het financiële draagvlak daarvoor (en ook voor investeringen in aanverwante activiteiten) te versterken. In het westen is nog sprake van een betrekkelijk grote versnippering in de distributie van stroom en gas, zodat daar de aandacht zich voorlopig nog zal richten op de schaalvoordelen die in de distributiesfeer zijn te behalen.

Ten slotte is het terugdraaien van de scheiding tussen produktie en distributie ingegeven door de liberalisering van de Europese energiemarkt. Om geografische redenen voelen de energieproducenten en -distributeurs in het Nederlandse grensgebied dat het eerst. Ze vormen op de vrije Europese energiemarkt van de toekomst een interessant doelwit voor bijvoorbeeld Duitse energiebedrijven, die qua omvang regio's ter grootte van Nederland bestrijken en hun "dienstbetoon' wel willen uitbreiden tot enkele belendende Nederlandse provincies waar bovendien ook nog eens stroomfabrieken staan die tegen zeer concurrerende prijzen produceren. Binnenlandse schaalvergroting biedt daartegen wellicht soelaas.