Paul Hazard over de zwarte bladzijden van de Verlichting; Btaal op tijd uw belasting

Paul Hazard: Het Europese denken in de achttiende eeuw. Van Montesquieu tot Lessing. Vert. Frans de Haan. Uitg. Agon, 541 blz. Prijs ƒ 69,90

De Verlichting staat in een kwaad daglicht. De afgelopen tijd werd ik geconfronteerd met een aantal schrijvers die om uiteenlopende redenen vonden dat de Verlichting niets dan ellende heeft voortgebracht. Charles Jencks, een beroemdheid op het gebied van de postmoderne architectuur, verklaarde tijdens een lezing in Utrecht dat de Rede die tijdens de Verlichting als een godin werd vereerd, in de twintigste eeuw is verworden tot een bedenkelijk instrument in de handen van allerlei totalitaire regimes. Hij had het in dat verband vooral op het modernisme voorzien. Le Corbusier probeerde zijn ideeën te slijten aan Mussolini en Pétain en de communistische regimes hebben het modernistische gedachtengoed tot de dag van vandaag in ere gehouden. Het modernisme is een misdadige nakomeling van de Verlichting, het is repressief, fascistisch en autoritair tot in het merg, aldus Jencks.

Een week daarvoor zag ik een televisieprogramma met de curieuze titel Noms de dieu, waarin de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy betoogde dat de Verlichting het godsbesef had vernietigd en daarmee de mens de morele maatstaven had ontnomen waar zonder hij niet kan leven. “Wat is moraal met een lege hemel?” vroeg hij zich af. De Verlichting heeft, volgens Lévy, een gapend gat achtergelaten waarin zich de totalitaire regimes konden ontwikkelen; ze vormde het begin van een ontwikkeling die onafwendbaar leidde tot de gemechaniseerde mensenvernietiging onder Hitler. Je ontkomt moeilijk aan de indruk dat de Verlichting een zwarte bladzijde in de cultuurgeschiedenis is geweest. De Franse literatuurhistoricus Paul Hazard (1878-1944) weerspreekt die indruk niet in zijn monumentale studie Het Europese denken in de achttiende eeuw, waarvan de vertaling bij Agon is verschenen.

De bloeitijd van de Verlichting viel weliswaar in het midden van de achttiende eeuw, zo begint Hazard, maar de feitelijke impuls en ook de belangrijkste voorvechters zijn te vinden in de jaren 1680-1715. Dat was een periode waar de vonken van af vlogen. De kritische ideeën van Pierre Bayle, Richard Simon en John Locke botsten frontaal met de kerk en het absolute gezag, respectievelijk belichaamd in kardinaal Bossuet en koning Lodewijk XIV.

Moderniteit

Hazard heeft die periode briljant beschreven in een voorafgaande studie, De crisis in het Europese denken, waarvan de vertaling een paar jaar geleden bij dezelfde uitgeverij is verschenen. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik die studie boeiender vind dan de nu voorliggende. Hazard heeft blijkbaar meer bewondering voor de denkers die rond de eeuwwisseling een gevecht op leven en dood voerden tegen het gevestigde gezag dan voor de "philosophes' die het pleit in hun voordeel beslecht zagen en mijmerden over een ideale maatschappij waarin de heerschappij van de Rede garant zou staan voor het geluk van allen. Hij vergelijkt de geschriften van deze filosofen met de oppervlakkige toetsjes op de doeken van Watteau en Fragonard, blijkbaar niet zijn meest geliefde schilders.

Zijn grootste bezwaar is echter dat Montesquieu, Voltaire en Diderot het orthodoxe geloof ondermijnden en onbeschaamd de mens in het centrum van de schepping plaatsten. In deel een, Het proces tegen het christendom, beschrijft hij de ondermijning van het orthodoxe geloof; in deel twee, De stad der mensen, komen de verlichtingsidealen aan bod. De filosofen, aldus Hazard, waren op moderniteit gericht. Ze weigerden in de pas van de traditie te lopen en kozen voor hun eigen verantwoordelijkheid, daarbij geleid door de Rede die op haar beurt geleid wordt door de Natuur. De godsdienst zou voortaan Natuurlijk zijn; verering en ontzag zouden een Opperwezen gelden dat niet duidelijk omschreven was omdat het zich had teruggetrokken uit een schepping die volmaakt was ingericht. In het midden van de achttiende eeuw beheersten Natuur en Rede het denken op alle gebied: wetenschap, recht, staatsinrichting, moraal en opvoeding. De machtigste prestatie, achteraf bestempeld als het symbool van de Verlichting, was de Encyclopedie van Diderot en d'Alembert.

Hazard is kritisch over die denkbeelden; ook over de Encyclopedie oordeelt hij nogal zuinig: veel was al bekend, de redacteuren maakten fouten en “door een vage vijandigheid die uit het werk spreekt, vernietigt ze geleidelijk de oude waarden en vervangt ze het gevoel voor het goddelijke door het gevoel voor het maatschappelijke”. Daarmee zet hij de toon voor het derde en laatste deel van zijn studie, Des-integratie, waarin hij betoogt dat de Verlichting aan interne tegenstrijdigheden te gronde ging. De natuur bleek bij nader inzien allerminst de ideale gids te zijn die men aanvankelijk veronderstelde. Voltaire raakte aan het twijfelen over de goedheid van de natuur na de aardbeving van Lissabon in 1750, waarbij talloze slachtoffers vielen en er op grote schaal geplunderd werd. Overigens is het vreemd dat Hazard in dat verband de markies de Sade niet ter sprake brengt. Niemand verzette zich briesender tegen de illusie van de "goede natuur' dan hij. Toch valt zijn naam nergens in het bijna 550 pagina's dikke boek. Ik denk dat Hazard hem te erg vindt voor woorden.

Katholiek

Het Europese denken is een indrukwekkend, maar tendentieus boek, geschreven door een orthodoxe katholiek die met weemoed terugdenkt aan de tijd dat het gezag van kerk en staat nog onbetwist was. Dat blijkt uit de opzet van het boek en uit de manier waarop Hazard andermans ideeën weergeeft. Om de inhoud van La Mettrie's invloedrijke boekje De mens, een volmaakte machine (1748) weer te geven, citeert Hazard als het ware La Mettrie zelf: “Het materialisme is het heil, schreeuwt hij oorverdovend, het materialisme is de waarheid”. Maar schreeuwt La Mettrie dat wel? Uit De mens een volmaakte machine blijkt dat niet. Blijkbaar is in de samenvatting niet La Mettrie aan het woord, maar Hazard die de schrijver veroordeelt in bewoordingen die des te venijniger zijn omdat hij ze de ander in de mond legt.

Hazard stelt de Verlichting voor als een crisis in het Europese denken, een ondermijning van de traditie die gelukkig maar korte tijd duurde omdat ze aan eigen tegenstrijdigheden bezweek. Daarmee doet hij onrecht aan een fase in de cultuurgeschiedenis die tot op de dag van vandaag van belang is. Is het niet juister om de verlichtingsideeën te beschouwen als een denkhouding die voor de achttiende eeuw al bestond en sinds die tijd actueel is gebleven?

Natuurlijk zijn veel van de toenmalige ideeën achteraf naëf gebleken. Zo meende men dat de toepassing van redelijke principes op de staatsinrichting de vrijheid van de individuele burger ten goede zou komen. Kant maakt in een van zijn boeken een eigenaardig onderscheid tussen twee manieren waarop de rede gebruikt kan worden, enerzijds het "räsonieren', dat de mens in onbeperkte vrijheid en voor eigen rekening doet; anderzijds het aan regels en autoriteit gebonden gebruik van de rede voor zover het zijn functioneren in de maatschappij betreft. Je mag, aldus Kant, over het fiscale stelsel net zoveel räsonieren als je wilt, als je je belasting maar op tijd betaalt. Zijn opstel eindigt met een oproep aan Frederik II voor het sluiten van een soort contract tussen de verlichte despoot en de vrij denkende burger. Uit Kants betoog valt af te leiden wat achteraf steeds duidelijker is geworden, namelijk dat er een ongemakkelijke relatie bestaat tussen rede en macht.

Daarbij komt dat de voordelen van kennis en technologie tegenwoordig meer en meer in de schaduw worden gesteld door schadelijke effecten van een ontzagwekkende omvang: vervuiling van het milieu, verzuring van de bossen, vernietiging van duizenden diersoorten per jaar, gaten in de ozonlaag.

Voor bepaalde filosofen is dit een argument om de Verlichting te bestrijden en de vrijheid van denken aan banden te leggen. Die suggestie lijkt me niet alleen fout omdat de oorzaak van het probleem niet de Verlichting is maar het misbruik dat van de Verlichting is gemaakt en de oplossing, als ik het goed zie, alleen gezocht kan worden in de beperking, beheersing en regulering van de toepassingen die van kennis en technologie worden gemaakt. Maar ik vind het ook een gevaarlijke suggestie omdat de vrijheid van denken ermee op het spel wordt gezet. Jencks propageert een vorm van postmodernisme waarin reactionaire tendensen onmiskenbaar aanwezig zijn; Bernard-Henri Lévy neigt naar een religieuze orthodoxie die hem in de buurt brengt van Hazard. Ze zagen de tak af waarop ze zelf zitten. Wie vandaag om geestelijke leiding roept moet niet raar opkijken als er morgen een dominee, priester of ayatolla op zijn stoep staat. Ik houd me liever aan het antwoord dat Kant in 1784 gaf op de vraag "Wat is Verlichting?'. Dit antwoord heeft nog niets aan kracht ingeboet en verdient gekoesterd te worden: “Verlichting is de ontsnapping van de mens aan een onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is. Onmondigheid is het onvermogen om zijn eigen verstand te gebruiken zonder leiding van iemand anders. Eigen schuld heeft men aan die onmondigheid als de oorzaak er van niet te wijten is aan een gebrek van dat verstand, maar aan een gebrek aan vastbeslotenheid en moed om zijn verstand zonder leiding van een ander te gebruiken. Sapere aude! Heb de moed om je eigen verstand te gebruiken! is daarom het motto van de Verlichting”.