Ovidius

Wie de Nederlandse vertaling van een Latijns boek bespreekt, behoort zowel het Latijn als het Nederlands terdege te beheersen, wil hij zich over de kwaliteit van de vertaling mogen uitlaten.

In de bespreking van de nieuwe vertaling van Ovidius' Metamorphosen van de hand van mevrouw M. d'Hane-Scheltema in het CS van 4 juni blijkt P.F. Thomése schromelijk te kort te schieten. Pas aan het slot van een volle pagina vertoon van geleerdheid vertelt hij terloops, dat hij aan haar hand in zevenvoetige jamben door de Metamorphosen is gehuppeld, maar ook zij "kon niet ontstijgen' d.w.z. de dichterlijke hoogte van het origineel bereiken en dat is al, wat hij in zeven kolommen over het te bespreken boek zegt! Waarop steunt dan dit oordeel?

Vooreerst. Thomése kent geen Latijn. "Met links het origineel, rechts de vertaling ging ik aan het werk, maar ik merkte al gauw dat ik wel die vertalingen zat te lezen en niet het origineel, hoogstens af en toe een woord of een zinsdeel ontcijferde. Nee, de grootste schrijvers hadden, helaas, niet voor mij geschreven', zoals hij zich van vroeger pogen herinnert zonder te beseffen, dat hij zich daarmede al dadelijk diskwalificeert als recensent van een vertaling. Dit blijkt, waar hij zich toch aan het Latijn waagt en aan Ovidius verwijt, dat die "zijn werk brutaal begint met de woorden "In nova fert animus . . .' daarmede niet alleen het ontstaan van de wereld aanduidend, maar ook het nieuwe (nova) dat zijn geest (animus) brengt'. Men ziet het voor zich: Thomése heeft het voor deze bijzondere gelegenheid nog één keer zelf willen proberen met links het Latijn en toen verzuimd de vertaling rechts - die hij immers zou bespreken - te raadplegen.

Volgen wij het origineel louter schools op de voet. In de eerste vier regels bekent Ovidius, dat over hem de geest vaardig is geworden (fert animus) om te verhalen (dicere) van gestalten, die veranderd zijn (mutatas formas) in nieuwe gedaanten (in nova corpora) en smeekt hij de Goden, die deze gedaantewisselingen teweeg hebben gebracht (nam vos mutastis et illas), zijn onderneming te begunstigen (coeptis adspirate meis) en het gedicht (carmen) ononderbroken (perpetuum) van het eerste begin der wereld (prima ab origine mundi) tot zijn eigen tijd te volvoeren (ad mea deducite tempora). Zonder enige brutaliteit of zelfingenomenheid, integendeel, met Homerische bescheidenheid, die de eer laat aan de Muze en deze niet, zoals Vergilius (Arma virumque cano, ik bezing enz.), voor zichzelf opeist.

Wat Thomése ervan maakt met het volstrekt uit zijn verband gerukte "nova' lijkt niet op het origineel, noch op de onberispelijke vertaling van mevrouw d'Hane:

Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden

Veranderd - Goden, leen mijn werk Uw adem want ook U

Deed mee aan die veranderingen. Leidt ononderbroken

Vanaf het eerste werelduur mijn lied tot aan mijn tijd.

Alles bij elkaar voor de recensent dus een testimonium paupertatis, waarvan ik hem de vertaling maar bespaar.