OP TWEE NA DE BESTE; De geschiedenis van de film Casablanca

Aljean Harmet: Round Up the Usual Suspects. The Making of Casablanca. Uitg. Weidenfeld & Nicolson, 402 blz. Prijs f 52,90.

Niemand die in de warme voorzomer van 1942 in de studio's van Warner Bros. aan Casablanca werkte had de indruk dat er iets bijzonders van zou komen. Toen de film aan het eind van het jaar in New York en later overal in Amerika vertoond werd viel de ontvangst mee. Hij trok volle zalen, en in 1944 won hij drie Oscars waaronder de best picture award. Daarmee was het uit, werd door de Warners aangenomen. Het eind van de oorlog kwam in zich, en het publiek zou geen belangstelling meer opbrengen voor verhalen die in Marokko speelden in de tijd van de regering in Vichy, zelfs al deed Humphrey Bogart erin mee als een nachtclubeigenaar die zijn oude liefde terugvond en prijsgaf.

In 1953 toen Bogart net gestorven was begon de film aan zijn tweede leven in een bioscoop tegenover Harvard University waar de studenten hem ontdekten. Sindsdien heeft hij in aanzien gestaan. Vijfentwintig jaar later toen het American Film Institute zijn leden de voornaamste Amerikaanse films liet kiezen was de uitslag: 1) Gone with the Wind, 2) Citizen Kane, 3) Casablanca.

Wie deze hoeksteen van Hollywood nader wil leren kennen moet om te beginnen de film huren bij de videowinkel, en vervolgens het boek van Aljean Harmetz lezen dat de ontstaansgeschiedenis vertelt en in zijn slothoofdstukken de vijftig jaar erna behandelt. Harmetz heeft zich grondig gedocumenteerd uit boeken en roddelrubrieken en uit herinneringen van medewerkers en echtgenoten die hij nog heeft kunnen spreken. Af en toe lijkt de volgorde waarin hij de gebeurtenissen zet willekeurig, maar zijn verhaal is zo rijk aan streken, eigenaardigheden en humeuren van het filmvolk dat ik meeleefde alsof het over mijn eigen familie ging. Harry Warner, de oudste broer die aan het hoofd stond van de studio, was een zuinig man die spijkers opraapte als ze bij de decorbouw op de grond gevallen waren; later in de oorlog besteedde hij miljoenen aan propagandafilms die de overheid kosteloos mocht benutten. Zijn broer Jack beheerde de filmproduktie en was verontwaardigd toen de producer van Casablanca, Hal Wallis, zijn naam wegliet uit de publiciteit; later was Wallis even verontwaardigd toen Warner de Oscar in ontvangst nam zonder hem erbij te roepen uit de zaal. De regisseur Michael Curtiz (van afkomst Hongaar, Kertesz) maakte al bijna twintig jaar films voor Warner Bros. die bijna altijd hun geld opbrachten; toen iemand een opmerking had over inconsequentie in de karakterisering van Casablanca snauwde hij "Who cares about character", want de bioscoopbezoekers zouden er niets van merken zolang het verhaal hen boeide. Hij was een sterke potente man die verscheidene filmsterretjes per dag kon verschalken achter decorelementen, want hij vond het onnodig om ze mee te nemen naar een kleedkamer.

Humphrey Bogart dronk te veel, vaak samen met Claude Rains of met Peter Lorre die ook in deze film speelden; hij werd gekweld door zijn derde vrouw Mayo Methot, een even grote drinker, en hij zou pas tot rust komen met zijn vierde en laatste vrouw Lauren Bacall, maar er kon altijd op hem gerekend worden in zijn werk en in de persoonlijke omgang. Ingrid Bergman, zijn tegenspeelster, had geen sterallures en was prettig om mee te maken te hebben, maar zij wilde bij meesterwerken betrokken zijn en voelde meestal, ook bij Casablanca, dat zij verkeerd zat.

En de arme schrijvers! Murray Burnett had het toneelstuk Everybody Comes to Rick's geschreven waar Casablanca naar gemaakt werd, maar daar bleef weinig van over en hij wilde zijn naam er niet bij genoemd hebben, totdat de film zo'n reputatie kreeg dat hij toch maar een deel van de eer opeiste. De tweelingbroers Epstein, Julius en Philip, maakten het eerste scenario dat door verscheidene anderen verder bewerkt werd, in laatste instantie door Howard Koch, die er meer politiek in bracht dan de Epsteins die op komedie uit waren.

De politiek kwam behalve van Koch ook van Washington dat zijn buitenlandse betrekkingen niet door Hollywood wilde laten verstoren, maar eind 1942 viel net tussen de moeilijkste periode in. Een jaar eerder, voordat Amerika in oorlog kwam met Duitsland, had de rol van de majoor Strasser vriendelijker moeten zijn om Hitler niet te ergeren. Vichy, dat nog steeds ontzien moest worden, deed er minder toe; een jaar later zou het Office of War Information sterker aangedrongen hebben op blijken van democratisch idealisme in de rollen van Bogart en van Claude Rains als de Franse kapitein Renault.

Films zijn altijd produkten van verschillende naturen en opvattingen; bij Casablanca waren er meer naturen dan gewoonlijk, en nergens een persoonlijkheid die de toon bepaalde, zodat het geen wonder geweest zou zijn als er een karakterloos hoewel spannend verhaal van gekomen was. Zo is het niet gegaan. De film klinkt verzekerd genoeg om de illusie te wekken dat er een eensgezind scheppend consortium achter gezeten moet hebben. Harmetz heeft enigszins opgehelderd hoe het ging en zijn boek levert een bijdrage aan de kennis van het oude Hollywood op gewone werkdagen, maar het blijft een verbazend en grappig geval, deze op- twee-na mooiste film.