Oeroeg

Dat Rudy Kousbroek, schrijver, essayist en litterair criticus, een litteraire tekst in bescherming wil nemen tegen misbruik door verfilming (CS 11 juni), is begrijpelijk, moedig en sympathiek.

Ik ken Jean van de Velde als een vaardig en gewetensvol scenario-schrijver, en weet ook dat het hem volstrekt niet ontbroken heeft aan respect voor mijn novelle Oeroeg. Ik ben mij bewust van het ingrijpende verschil in effect tussen een geschreven tekst en film. Toen Hans Hylkema toestemming vroeg om, uitgaande van het slot van mijn verhaal, de lijn van “het zoeken naar Oeroeg en de vraag naar de mogelijkheid van verstandhouding” te mogen doortrekken naar de eerste politionele actie (die in mijn in de zomer van 1947 geschreven novelle slechts wordt aangeduid), heb ik er rekening mee gehouden dat ik in de functioneel voor dit "vervolg' gekozen, aan mijn Oeroeg ontleende flash-backs, mijn eigen herinneringsbeelden en voorstellingswereld niet exact zou terugvinden. Dat voor visualisering en dramatisering van die fragmenten een zekere aanpassing, zelfs veranderingen, noodzakelijk zouden lijken, en dat ook onvoorziene omstandigheden tijdens het filmen van invloed konden zijn op vorm en inhoud van bepaalde scènes, heb ik steeds in beginsel aanvaard.

Ik beschouw mijn verhaal Oeroeg en de film Oeroeg als twee op zichzelf staande, in verschillende "media' tot stand gekomen verbeeldingen, verbonden door een thema waarvan de essentie gehandhaafd is gebleven: de bewustwording van een Nederlander ten aanzien van zijn jeugd op Java en zijn relatie tot Indonesië.