Koerden willen meer aandacht; PKK dreigt onmogelijke gesprekspartner te worden

ANKARA, 25 JUNI. Wat beoogt de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) met de gewapende aanvallen op en de bezetting van Turkse diplomatieke missies in West-Europa? “Aandacht”, antwoordde de Turkse minister van buitenlandse zaken, Hikmet Cetin, gisteren in het parlement. “De PKK hoopt zo de interesse van de internationale media te mobiliseren.”

Inderdaad hebben de radicale acties van de PKK tot doel om via de media de publieke opinie in West-Europa te benvloeden, en langs deze weg de regeringen van die landen ervan te doordringen dat ze Ankara nauwelijks nog kritiseren voor de manier waarop het leger en de speciale veiligheidstroepen in het Koerdische zuidoosten van Turkije huishouden. Het Turkse beleid is erop gericht om de Koerdische terreur (dus de PKK) in dit deel van Turkije te bstrijden, maar maakt in wezen nauwelijks onderscheid tussen guerrillastrijders en burgers. Het feit dat je in Zuidoost-Turkije woont, maakt dat je automatisch tot oproerkraaier, tot een gevaar voor de staat, wordt bestempeld.

Sinds de strijd voor een onafhankelijk Turks-Koerdistan in augustus 1984 weer oplaaide, zijn ruim 6.000 dodelijke slachtoffers gevallen in de guerrilla-oorlog tussen de PKK en het Turkse leger. Lange tijd kon de PKK op de sympathie rekenen van de Westeuropese landen in haar strijd voor de erkenning van de Koerdische identiteit. Maar de laatste tijd tekende zich een kentering af. De val van de Berlijnse muur, gevolgd door de ineenstoring van het Sovjet-rijk, maakte dat Turkije kon uitgroeien tot een regionale macht.

Deze ontwikkeling liep zo'n beetje synchroon met de komst in Ankara, eind 1991, van een coalitie-regering van conservatieven en en sociaal-democraten, die de democratisering van Turkije hoog in het vaandel droeg. Het land zou moeten uitgroeien tot een pluriforme democratie naar Westers voorbeeld. En in die ontwikkeling was voor het eerst ook een bescheiden plaatsje ingeruimd voor de Koerden-kwestie. De toenmalige premier Süleyman Demirel erkende de Koerdische identiteit, maar gaf het leger - onder het mom dat eerst de Koerdische terreur moest worden bestreden voordat er sociale, economische en politieke hervormingen konden plaatshebben - aan de andere kant vrij spel om de schoonmaak in Zuidoost-Turkije via de loop van het geweer verder gestalte te geven. Deze politiek werd min of meer gesteund door West-Europa en in sterke mate de VS, die steeds meer overtuigd raakten van het idee dat de PKK inderdaad een terreurorganisatie is die slechts op één manier kan worden bestreden: met tegengeweld.

De PKK raakte daardoor niet alleen in het Westen maar ook in de regio enigszins gesoleerd. Syrië, de belangrijkste bondgenoot van de PKK in het Midden-Oosten, beperkte de bewegingsvrijheid van de organisatie door de trainingskampen in het door Damascus gecontroleerde deel van de Bekaa-vallei in Zuid-Libanon te sluiten, terwijl de Koerden in het de facto onafhankelijke Noord-Irak bereid waren om samen met het Turkse leger de PKK uit de bergen in de grensstreek te verdrijven en de guerrilla-strijders samen te drijven in een kamp aan de Iraanse grens.

Daarmee was weliswaar niet de ruggegraat van de PKK gebroken, zoals de Turkse militairen zo graag onderstrepen, maar had de Koerdische bevrijdingsstrijd in Zuidoost-Turkije wel een behoorlijke knauw gekregen. Zo stevig zelfs dat er voor PKK-leider Abdullah Öcalan weinig anders op zat dan te buigen voor de pragmatici in de organisatie: de dag voor het Koerdische nieuwjaar op 21 maart kondigde hij een eenzijdig staakt-het-vuren in Zuidoost-Turkije af, dat een kleine maand later zelfs voor onbepaalde tijd werd verlengd. De tijd werd rijp geacht om de Koerden-kwestie in Zuidoost-Turkije nu via de politieke weg op te lossen.

De Koerden stellen dat het Turkse leger als reactie daarop weliswaar de inmiddels traditioneel geworden voorjaarsoperatie - na het smelten van de sneeuw worden de Koerdische guerrillastrijders zoveel mogelijk uit hun stellingen in de bergen verdreven - opschortte, maar dat de veiligheidstroepen op bescheiden schaal wel doorgingen met hun militaire acties in Zuidoost-Turkije. Tevens bleek dat de regering in Ankara niet bereid was om op korte termijn politieke hervormingen voor de Koerden af te kondigen.

De dood van president Turgut Özal - die de politieke opening had geboden om de Koerden-kwestie in Turkije bespreekbaar te maken - midden april kwam als een extra-complicatie. Premier Demirel liet zich tot president kiezen, waarna de nieuwe leider van de regerende Partij van het Juiste Pad, Tansu Ciller, de opdracht kreeg een nieuwe regering te vormen. Daarmee komt ze vandaag voor de dag. Maar al die tijd is er niet gezocht naar politieke oplossingen voor de Koerden-kwestie en geweld is in Zuidoost-Turkije inmiddels weer de realiteit van elke dag geworden.

De moord door de PKK eind vorige maand op ruim 30 ongewapende Turkse soldaten in de provincie Bingöl was voor het Turkse leger het sein om alle reserves weer te laten varen, terwijl PKK-leider Öcalan zich gedwongen zag om het staakt-het-vuren af te blazen. Wilde hij zijn positie van leider bestendigen, dan bleef hem niets anders over dan om zijn oren nu te laten hangen naar de haviken binnen de organisatie. Het laat zich aanzien dat diezelfde groepering binnen de PKK verantwoordelijk moet worden gehouden voor de aanvallen op en de bezetting van Turkse diplomatieke missies in West-Europa.

Deze acties onderschrijven echter eerder het imago van de PKK als terreurorganisatie dan dat ze het Westen en Turkije over de streep zullen trekken om de organisatie als spreekbuis van de Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije te accepteren. Het heeft er juist veel van weg dat de PKK zichzelf als Koerdische bevrijdingsorganisatie uit de markt prijst en daardoor zo langzamerhand een hinderlijk obstakel aan het worden is voor politieke hervormingen met betrekking tot de Koerden in Turkije. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de nieuwe regering van Ciller, de vrouwelijke premier die het Westerse imago van Turkije aanzienlijk heeft opgepoetst, bereid zal de Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije politiek tegemoet te komen zolang de PKK daar probeert met geweld de scepter te zwaaien. Want elke politieke hervorming wordt op die manier immers uitgelegd als een concessie aan de PKK. En dat is wel het laatste waarvan welke regering in Turkije dan ook wil worden beschuldigd.

Bovendien draagt de PKK bij aan de machtspositie van het Turkse leger, dat in de afgelopen jaren vrijwel heer en meester is geworden in Zuidoost-Turkije. Want zolang er nog terreur wordt bedreven door de PKK, zolang zullen de Turkse militairen elke mogelijkheid aangrijpen om hun positie te versterken door zich op te werpen als de beschermers van de Turkse soevereiniteit. En zolang de Turkse regering niet bij machte blijkt met politieke oplossingen te komen voor de Koerden-kwestie, zal die rol alleen belangrijker worden.