JACQUES ATTALI; Arrogante bankier

Tomeloze arrogantie en gretigheid hebben Jacques Attali, de Franse president van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) de kop gekost. De politieke patronage door François Mitterrand, wiens adviseur Attali tot 1991 was, bood geen bescherming meer tegen de beschuldigingen over mismanagement, geldverspilling en verziekte persoonlijke relaties in het hoofdkantoor van de EBRD in Londen.

Jacques Attali (49) heeft het idee van de Oost-Europabank gekaapt. Het voorstel om een ontwikkelingsbank voor Oost-Europa op te richten werd september 1989 gedaan door Alfred Herrhausen, de in november 1989 vermoorde bestuursvoorzitter van de Deutsche Bank. Herrhausen had een Nederlander als hoofd voor de op te richten Oost-Europabank in gedachten.

Het idee werd opgepikt in het Elysée, waar Jacques Attali op zoek was naar nieuw spectakel nadat hij in 1989 de feestelijkheden voor de viering van 200 jaar Franse Revolutie had geleid. Gefascineerd door de snelheid waarmee de omwentelingen in Oosteuropese landen zich voltrokken, besloot de EG zijn steun te geven aan de oprichting van een ontwikkelingsbank voor ex-communistische landen die zich bekeerd hadden tot democratie en markteconomie.

Nederland dacht een kans te hebben met Amsterdam als vestigingsplaats voor de bank en/of met Onno Ruding als eerste president. Maar na een Frans-Brits-Duits akkoordje ging de bank naar Londen en eiste Attali voor zichzelf de hoogste positie op. De EBRD ging in 1991 van start met een kapitaal van 10 miljard ecu (23 miljard gulden). Op Amerikaanse aandrang kwam de nadruk te liggen op steun aan de private sector en zou de (toen nog) Sovjet-Unie slechts een beperkte aanspraak op de middelen van de EBRD kunnen doen.

De schaal en de complexiteit van de problemen die zich voordoen bij de overgang van een commando- naar een markt-economie werden aanvankelijk sterk onderschat. Bovendien onderschatte Attali van meet af aan de beeldvorming over de EBRD en stuurde hij de public relations van de bank uitsluitend in de richting van meerdere glorie voor zichzelf. Dat brak hem begin dit jaar op toen een serie schandalen in de openbaarheid kwam. De Britse pers speelde daarbij een hoofdrol, tot ongenoegen van de Britse regering die in 1990 met een gift van 40 miljoen pond van de Britse begroting voor ontwikkelingshulp de bank naar Londen had gehaald.

Attali werd er van beticht dat hij plagiaat had gepleegd bij een boek waarvoor hij citaten van de Amerikaanse schrijver Eli Wiesel zou hebben gebruikt. Hij zou zich schuldig hebben gemaakt aan persoonlijke verrijking en zich bij voorkeur in privé-vliegtuigen laten vervoeren, ook naar bestemmingen die met lijnvluchten te bereiken zijn.

De grootste rel ontstond om het nieuwe gebouw van de bank aan Bishopsgate in Londen, achter het Liverpool street station. De ergernis over de vervanging van de natuursteen in het gebouw, dat Attali niet aanstond, door marmer en de overdadige luxe bij de inrichting kregen het effect van een sneeuwbal. Naarmate meer extravagantie in de openbaarheid kwam en de ruzies in de dagelijkse leiding van de bank op straat kwamen te liggen, werd de positie van Attali onhoudbaar. Jacques Attali is na twee jaar gestruikeld over zijn eigen arrogantie.