IN DE ARMEN VAN EEN GOUDZOEKER; De ontzagwekkende banaliteit van Rupert Thomson

Rupert Thomson: Air & Fire. Uitg. Bloomsbury, 311 blz. Prijs f. 55,--.

Lucht en vuur. Vertaling Gerrit de Blaauw. Uitg. De Bezige Bij, 333 blz. Prijs f 39,50.

Na The Five Gates of Hell, dat in 1990 verscheen, keek ik uit naar een nieuw boek van Rupert Thomson. In die roman plaatste de Engelse schrijver de dubbelzinnige gevoelens van twee adolescenten in een scherp omlijnd, hyper-realistisch landschap, dat herkenbaar en ongrijpbaar was. Het aplomb waarmee hij dat deed, de rijkdom aan verrassende beelden in zijn proza en de dreiging waarvan de werkelijkheid van zijn personages doortrokken was, lieten de indruk achter dat Thomson bezig was een eigen weg aan te leggen door het engelse literaire landschap die naar grootse dingen zou leiden. Volmaakt was The Five Gates of Hell niet; Thomsons literaire zelfverzekerdheid ontaardde zo nu en dan in zelfgenoegzaamheid, waarbij hij leek te zwelgen in zijn woordkunst en de breedheid van ongeremde visie. Maar zulke kritiek was niet meer dan een kanttekening bij een groot talent.

Des te groter is de teleurstelling na het lezen van Air & Fire. Gebleven is de eigenzinnigheid, de verrassend beeldende taal, de manier waarop de personages in hun vervreemdende omgeving worden gezet, maar ditmaal lijken deze eigenschappen een doel op zichzelf te zijn; de roman doet vooral bedacht aan. De hartstocht tussen twee mensen die de roman moet dragen, wil ondanks alle stilistische brille maar niet tot leven komen. En daardoor stort het fenomenale bouwwerk dat Air & Fire wil zijn onvermijdelijk in elkaar.

Thomson zet zijn hoofdpersonen met vaste hand in de jaren negentig van de vorige eeuw neer. Een oudere Fransman reist samen met zijn jonge vrouw per schip naar een onherbergzame uithoek in het Mexicaanse deel van Californie. Hij is bouwmeester en deelt de idealen van zijn leermeester Eiffel, aan wie hij de hele roman door brieven stuurt om hem op de hoogte te houden van de voortgang van hun gezamenlijke project: het oprichten van een reusachtige metalen kerk in een door Fransen, Mexicanen en Indianen bevolkt kuststadje (wat een beetje aan Werner Herzogs Fitzcarraldo doet denken en ook wel aan de roman Oscar and Lucinda van Peter Carey).

Een Bogart-achtige Amerikaan, poor and lonesome, een heel ruwe bolster met een heel blanke pit, valt direct voor de ontwapenende schoonheid van de Francaise. Hij wordt ook gekweld door gewetensbezwaren omdat het duidelijk om een zeer gelukkig huwelijk gaat (Casablanca!). Maar de Fransman gaat geheel en al op in het moderne technische wonder van zijn kerk. Zijn vrouw, wier gevoel voor de poezie van het leven in dit exotische oord overgaat in onvervalste helderziendheid, wordt door benepenheid van de plaatselijke Franse kolonie bijna als vanzelf in de armen van de Amerikaanse goudzoeker gedreven. Die, geplaagd door zijn geweten, de woestijn intrekt. Later, wanneer de Fransman zijn vrouw zijn wil probeert op te leggen, is zij het die de woestijn in vlucht, het gebied - verzeker Thomson zijn lezers keer op keer - waar werkelijkheid en droom op een natuurlijke manier in elkaar overvloeien.

Het is al snel, of liever, al te snel duidelijk waar Air & Fire over gaat: het even rationele als zielloze vooruitgangsdenken van de Franse echtgenoot, die een kerk van ijzer wil laten verrijzen, tegenover de onlesbare dorst van zijn vrouw en de Amerikaan naar het onbereikbare, het mysterieuze, het onnoembare, zielloze techniek versus ongeremde verbeeldingskracht. Een van de vele symbolen die het verlangen van de geliefde naar vervulling moet dragen is de landkaart die de Amerikaan in zijn jas heeft genaaid: een kaart die hij van zijn ongelukkige vader heeft geerfd en waarop aangegeven zou moeten staan waar goud te vinden is (dat uiteindelijk onvindbaar blijft, wat het gaat tenslotte om het verlangen).

Op de achtergrond van deze gedoemde romance speelt zich nog schetsmatig het drama van de mijnen af, waarin goedkope Indiaanse werkkrachten worden uitgebuit en uiteindelijk in opstand komen (dus weer een beetje als in Joseph Conrads Nostromo). Hun opstand dreigt bloedig te worden neergeslagen door een fatterige Mexicaanse officier die de Francaise het hof maakt. Dat kan allemaal niet goed aflopen en dat doet het ook niet.

Het echte drama in Air & Fire speelt zich af tussen Thomsons prachtige stijl en de ontzagwekkende banaliteit van wat hij te vertellen heeft. Uiteindelijk legt de vorm het af tegen de inhoud. Thomsons stijl is als een eerste hap in een smakelijke appel; fris, zoet en zuur tegelijk. Het probleem is dat hij steeds weer in een andere appel bijt, zonder dat ooit een klokhuis wordt bereikt. De beperkingen daarvan worden duidelijk in de scenes in de woestijn aan het einde van de roman, die een hallucinerend effect zouden moeten hebben, maar welbeschouwd niets anders dan een losse verzameling fraaie beelden zijn.

Anders dan sommige jonge Engelse en Amerikaanse schrijvers neemt Thomson niet de versleten taal der liefde zelf tot onderwerp. Air & Fire wil met nadruk een avonturen- en een liefdesroman zijn en je kunt nu eenmaal niet doen alsof niemand deze genres ooit eerder heeft beoefend. De schrijver zelf lijkt echter tot aan het vlakke slot hartstochtelijk in de unieke kwaliteiten van zijn stuiverromance tussen de Francaise en de melancholieke goudzoeker te geloven. Ik was het die een geeuw moest onderdrukken.