Het ritme van het geweld; Muziek over Malcolm X

Spike Lee's film Malcolm X, die deze week in Nederland in première gaat, heeft niet alleen geleid tot een hausse in de verkoop van X-honkbalpetjes, maar ook in het uitbrengen van een stroom muziek met de zwarte radicale leider als onderwerp. De filmmuziek, de opera X uit 1986 en Archie Shepps Malcolm X uit 1965 - het staat nu allemaal op cd.

Terence Blachard: Malcolm X The original Motion Picture Score (Columbia 4728062), The Malcolm X Jazz Suite (Columbia 473676 2). Distr: Sony.

Diversen: Music From the Motion Picture Soundtrack Malcolm X (Qwest/Reprise 9362-45130-2).

Distr: Warner. Anthony Davis: X, The Life and Times of Malcolm X (Gramavision R2-79470). Distr: Dureco.

Archie Shepp: Fire Music (MCAD 4324 87028). Distr: BMG

Muziek kan verschrikkelijk opdringerig zijn. Componisten kunnen de luisteraar met hevige contrasten en een hoop kabaal behoorlijk ontregelen en tekstdichters duwen hem vaak hardhandig een bepaalde richting in. Niet alle luisteraars zijn daarop gesteld. Zij willen fantaseren over dingen die ze zelf mooi vinden.

De oplossing die de muziekindustrie hierop gevonden heeft is even eenvoudig als geniaal: produkten in omloop brengen die zo leeg en richtingsloos zijn dat iedereen er het zijne aan toe kan voegen. De componist "treedt terug' om juist de luisteraar "creatief' te laten zijn. Bijna net zo creatief als muzikanten in spe die zingen of spelen bij zogenaamde "meespeelplaten'. Het verschil is dat het in de moderne droommuziek niet om een muzikale aanvulling gaat maar om een visuele. Het geleverde decor is zo bleek en onopvallend dat bijna niets erin kan misstaan. De beeltenis van een geliefde of de ondergaande zon kan altijd, maar ook een stralende goeroe zal niet detoneren.

De omgekeerde soort, muziek bij beelden die al bestaan, traditionele filmmuziek bijvoorbeeld, geeft de consument minder vrijheid. De klanken horen bij bepaalde scènes die men geacht wordt vóór zich te zien. Terug te zien eigenlijk, want naar dit soort muziek grijp je pas als een film je iets heeft gedaan. Klamme handen bij de muziek die het vast lopen van de lift begeleidde. Dit voorbeeld is niet toevallig, maar verwijst naar de van 1957 daterende Franse thriller Ascenseur pour l'échafaud. Veel mensen die de Miles Davis score hebben gehoord, weten niets van deze door Louis Malle geregisseerde film. Anderen zijn hem pas gaan zien nadat ze de muziek waren gaan beminnen. Dit laatste is tamelijk uniek. Naar Anatomy of a Murder van Otto Preminger bijvoorbeeld gaat men omdat dat een spannend rechtbank-drama is en niet om de muziek van Duke Ellington. Uit zijn context gelicht klinkt deze muziek wel aardig, maar niet spannend genoeg om van luisteraars alsnog kijkers te maken.

Dit laatste geldt ook voor de muziek die jazztrompettist Terence Blanchard voor de speelfilm Malcolm X schreef. Doordat de muziek er wel was maar de film almaar uitbleef, had deze score maandenlang dezelfde status als de moderne droommuziek: de beelden mocht je er zelf bij bedenken.

De meeste van de 26 fragmenten op deze cd geven daarbij weinig houvast. Een hoorn of hobo hier, een paar strijkers daar, ballet-achtige dansjes, het doet soms sterk aan Smetana denken. Waren er niet ook een paar jazzy stukjes in de score verwerkt, dan zou hij net zo goed voor een Sissy-film kunnen dienen. Wat aan deze muziek ontbreekt is een bepaalde "richting'.

Als de film dan eindelijk is te zien, blijkt dat Blanchards muziek vooral is ingezet in het middendeel waarin Malcolm hevig aan het denken slaat. De score compenseert het gebrek aan actie niet, maar onderstreept die. Is het om die reden slechte filmmuziek? Juist niet, vond waarschijnlijk regisseur Spike Lee die een enthousiast tekstje voor het inlegvel schreef. Filmmuziek moet pas opvallen als ze niet (meer) klinkt. Ze dringt zichzelf niet op, ze illustreert slechts.

Dat de muziek los van de beelden maar weinig "doet', vond Terence Blanchard blijkbaar zelf ook, gezien het feit dat hij zich vervolgens aan het schrijven van The Malcolm X Jazz Suite zette. En waarom niet: het leven van Malcolm X biedt genoeg drama voor een spannende plaat. Maar dan kent men Terence Blanchard niet, de braafste jazztrompettist van de jaren negentig. Als zijn Malcolm suite al ergens over gaat, dan is het over andere muziek, vooral die van saxofonist John Coltrane en collega-trompettist Miles Davis en hun respectieve groepen. Die van omstreeks 1960 wel te verstaan, want noch van Coltranes uitzinnige laatste-dagextase, noch van Davis' jazzrock-, funk- en hiphop-excursies van de decennia daarna is ook maar iets te merken. De Leitmotive voor Malcolm en diens mentor Elijah worden nog eens flink uitgemolken met als resultaat een langdradige "stemmings'-plaat die klinkt als uitgebleekte versie van Kind of Blue, het meesterwerk van Davis en Coltrane uit 1959.

Behalve de score van Blanchard gebruikte Spike Lee voor zijn film ook veel "zwarte' muziek die Malcolm X tijdens zijn leven zelf moet hebben gehoord, van boogie-woogie tot Aretha Franklin, van de big band van Lionel Hampton tot Jr. Walker & The All Stars. Het idee om deze op cd te zetten was goed, de uitwerking laat echter te wensen over. Dat That Lucky Old Sun van Haven Gillespie aan naamgenoot Dizzy wordt toegeschreven is minder erg dan het feit dat Alabama van John Coltrane al na 2.20 minuten wordt weggedraaid. En dat terwijl de cd maar 50 minuten bevat en dertien stukken uit de film ongebruikt bleven. Dat deze vrijwel chronologisch opgezette cd begint met Revolution van rapgroep Arrested Development is volslagen onlogisch. De muziek hoort niet bij Malcolms tijd en duikt daarbij in de film pas op als de aftiteling (!) al vijf minuten aan de gang is. Veel erger dat dit staaltje van koopmansgeest is de sticker met de tekst: "Features tracks by Ice-T & Ice Cube, Public Enemy, Gang Starr & Sir Mix-A-Lot' die op het doosje geplakt zit. Van al deze groepen is namelijk niets te horen, geen sample zelfs, geen enkele noot.

Opera

Van geheel andere aard is de opera die pianist Anthony Davis naar aanleiding van Malcolm X schreef. De opera X, The Life and Times of Malcolm X beleefde in 1986 zijn première in de New York City Opera maar verscheen pas onlangs, niet toevallig natuurlijk, op twee cd's vergezeld van een boekje met een compleet libretto van (nicht) Thulani Davis op basis van een "story' van (broer) Christopher Davis en een toelichting van Francis Davis (geen familie). Anthony Davis (1951) werd klassiek opgeleid, ontdekte later de jazz, en beweegt zich al jaren op beide gebieden. Na X volgden in 1989 de opera Under the double Moon, in 1992 Tania (over de ontvoering en bekering van Patti Hearst) terwijl Amistad staat gepland voor 1995. Zijn "jazz' gaf hij onder meer vorm met de in 1980 opgerichte groep Episteme die ook speelt op X, naast de 26 man van The Orchestra of St Luke's onder de directie van Michael Feldman en een cast van twaalf solo-vocalisten plus nog een koor van zeven. In totaal 55 musici die vier dagen de tijd kregen om deze opera vast te leggen, een nogal hachelijke onderneming. Hachelijk vooral door Davis' ambitie: te komen tot een volledige integratie van jazz- en "klassieke' muziek. Dat Anthony Davis redelijk slaagt, is onder meer aan de casting te danken. Malcolm-vertolker bariton Eugene Perry kende hij al van Under the double Moon en de sopraan Priscilla Baskerville zong ook bij de première al de dubbelrol Louise/Betty (respectievelijk Malcolms moeder en vrouw). De meeste leden van Episteme zijn, net als Davis zelf, typisch "grensgangers', bekwame improvisators die zonodig ook kunnen "lezen als de raven'.

Wat de muziek zelf betreft is het succes van Davis te danken aan zijn vermogen om ondanks allerlei details een grote lijn vast te houden. Als hechtanker tussen "klassiek' en "jazz' fungeren een aantal ritmische ostinato's. Ze weerspiegelen de herhalingen in het poëtische libretto en onderstrepen de loop van het verhaal. “Ik beschouw het ritme als een metafoor voor geweld”, zegt Anthony Davis in een recent interview en dat uitgangspunt geeft deze opera een stevig geraamte.

Wat de opera spanning geeft - duidelijkheid is in de kunst natuurlijk niet alles - zijn de gemproviseerd klinkende, maar ongetwijfeld uitgeschreven zangpartijen waarbij de gesprekspartners polemiseren. De solist zingt "ja', maar het Ensemble, vaak in de vorm van 'Sprechgesang', is het daar duidelijk niet mee eens of vice versa. Ook de bijdragen van de instrumentalisten verhogen de levendigheid, bijvoorbeeld de gloeiend hete solo op contrabasklarinet die J.D. Parran in The Dance Hall speelt. Het laatste woord over Malcolm X is Anthony Davis' opera ondanks dit alles niet. In de Tweede Acte gebeurt niet veel en het einde zou veel dramatischer kunnen. Ook zou je bij sommige scènes heel graag iets willen zien, ook al door het tamelijk holle geluid, dat sterk de sfeer van een lege zaal ademt. Ook deze versie van Malcolm X heeft dus soms iets van "plaatjesmuziek', zij het dan van veel dwingender aard.

Op 21 februari 1965 werd Malcolm X in de Audubon Ballroom in Harlem met kogels doorzeefd. Nog geen drie weken na die zwarte dag, legde tenorsaxofonist Archie Shepp, 25 jaar oud, zwart en behoorlijk angry, zijn Malcolm, Malcolm-Semper Malcolm vast. Ook Shepp was enig opportunisme niet vreemd want deze compositie, een modern stukje jazz & poetry, kwam uit The Funeral, een langer werk opgedragen aan Medgar Evers, een andere vermoorde zwarte leider. Shepps Malcolm onderscheidt zich van de bovengenoemde. Het stuk duurt nog geen vijf minuten en doet niet verlangen naar een plaatje erbij. Komt dat puur door de kracht van de muziek, het prachtige spel van contrabassist David Izenson, het "vuile' geluid van de saxofoon of het contrast daartussen? Of kennen we een bepaald plaatje, de verschijning van de saxofonist/declamator zelf, inmiddels zo goed dat meer niet nodig is? Of is het de stem van Shepp die hier de doorslag geeft, gesluierd maar toch gespierd:

“A Song / is not what it seems / A tune, perhaps / Bird / whistled while even America listened / We play / but we aren't always dumb / We are murdered / in amphitheatres / on the podia of the Audubon / The Earl / Philadelphia 1945! / Malcolm - My People / Dear God / Malcolm!”