GESIS EN GEBROM; David Malouf over Australische kolonisten

David Malouf: Remembering Babylon. Uitg. Chatto & Windus, 202 blz. Prijs f. 49,60.

De nieuwe roman van David Malouf begint met een schokkende spookachtige verschijning. Op de grens van een kleine nederzetting in het Australische Queensland van 1840, springt plotseling een gedaante naar voren, een levende vogelverschrikker in lompen en vodden, blank of zwart, dat is niet meteen te zien. De kinderen die daar spelen, verstijven van angst en denken dat ze overvallen worden door de aborigines die een eind verderop hun eigen nederzetting hebben. De jongen Lachlan, die speelde dat hij op wolven jaagde, treedt op als een man en legt met zijn stok aan op de verschijning. "Niet schieten", schreeuwt die, "I am a B-b-british object."

De verspreking van de man die blank blijkt te zijn en zich Gemmy noemt, is de basis van de roman. Gemmy wordt steeds meer een object dan een "British subject", wat hij bedoelde te zeggen. Voor de nederzetting die de in alle opzichten verwilderde man - hij is omstreeks dertig - opneemt, is hij een voorwerp van discussie, van verbazing, van medelijden, maar vooral van angst door de geheimzinnigheid die hem omgeeft. Het duurt lang voordat de kolonisten enig idee krijgen van zijn achtergrond. Als dertienjarige kajuitjongen was hij overboord gezet en op miraculeuze wijze levend aangespoeld. In de zestien jaar van zijn ballingschap was hij opgegroeid met een aboriginal taal en was hij zijn Engels goeddeels vergeten. Zijn brabbeltaal wordt door de onontwikkelde kolonisten als bedreigend en provocerend ervaren, zoals ook de bouwers van de toren van Babel, toen het met de taal misliep, elkaar niet meer vertrouwden. Als de taal als communicatiemiddel wegvalt, ontstaat onbegrip dat tot wantrouwen en angst leidt. Het labiele evenwicht van die vroege nederzetting, waar men altijd in onzekerheid leeft over het welslagen van de onderneming, is niet bestand tegen een onverwachte en onheilspellende gebeurtenis als het opduiken van Gemmy.

Zou hij een spion zijn van de aborigines verderop? Nu de nederzetting zich in hun richting uitbreidt, wordt de kans op een aanval steeds groter. Laat hij hun de kwetsbare plekken zien? Wat wilden die twee aborigines die hem kwamen bezoeken? Een enkeling neemt het voor Gemmy op, maar bij de meesten wordt het wantrouwen van dag tot dag sterker, zo sterk dat hij in elkaar geslagen wordt en bijna verdrinkt.

Voor Gemmy zelf is het gemis van een bruikbare taal bijna onverdraaglijk. Hij verbaast zich over alle onbekende dingen die hij ziet en waar hij geen woorden voor heeft. Hij moet zich redden met wat hij uit de schemer van zijn geheugen in het licht kan brengen. Hij hoort de mannen praten, maar de woorden zijn zinloos. Hij hoort alleen gesis en gebrom. In zijn frustratie gaat hij zich aanstellen, heen en weer dansen en schreeuwen, en dat wekt nog meer wantrouwen. Malouf suggereert dat er nog meer aan Gemmy ontbreekt dan alleen taal. In een prachtig, somber, Dickensiaans tafereel zien we Gemmy als jongen in Londen, levend onder de allerarmsten, als slaafje van de rattenvanger, tot hij geronseld wordt.

Lang niet alles in het boek is somber. De manier waarop de jongen Lachlan en zijn moeder en zijn zusje proberen Gemmy te begrijpen is van een ontroerende argeloosheid, en de scene waarin de dominee Gemmy vlak na zijn aankomst gaat ondervragen, is onweerstaanbaar komisch. Allebei doen ze hun uiterste best zich begrijpelijk te maken tot ze op een centimeter afstand van elkaar zitten te loeien en gezichten te trekken.

Zo weinig taal Gemmy tot zijn beschikking heeft, zo rijk is de taal van Malouf. Hij heeft woorden voor de kleinste nuances in het Australische landschap en voor de geluiden van vogels en van dieren die zich 's nachts door het kreupelhout bewegen. Hij schrijft in buitengewoon zorgvuldig gebouwde zinnen met veel preciserende tussenzinnen. Het lijkt of elke zin een klein kunstwerkje moest worden. Dat gebeurt ook vaak maar af en toe krijgt die zorgvuldigheid ook iets moeizaams. Het vreemdste van deze roman is het slot. In het laatste hoofdstuk, dat vijftig jaar later speelt, zijn bijna alle figuren verdwenen, Gemmy incluis. Alleen Lachlan en zijn zuster zijn over. Hij is minister geworden en zij non en bijenhoudster. Dat laatste wijst terug naar een van de meest geladen scenes in het boek waar zij als meisje ineens overdekt wordt door een zwerm bijen en in groot vertrouwen roerloos stil blijft staan, zoals haar indertijd gezegd was. In het slothoofdstuk wordt dat vertrouwen zonder enige argumentatie het fundament van een spiritualiteit en religiositeit waar nergens in het boek sprake van was. Er wordt geduid op een transfiguratie van Gemmy en de mystiek dringt zich hevig op. Dat laatste hoofdstuk is een verrassing die Malouf beter achter had kunnen houden.