Gerust

Tante was net in de tachtig, het kaarsje ging langzaam uit. Ze lag op bed op de voorzolder. Het zou een hoop gezeul betekenen (een luik, een ladder) als ze daar te overlijden kwam. Op aandringen van mijn vader werd ze naar beneden gehaald, een bed voor het raam.

“Och God”, zegt mijn vader, “wat keek ze vals. Tante, zeg ik, ben je kwaad op me? Kwaad niet, zegt ze, maar goed ook niet. En dat is het laatste wat ze tegen me gezegd heeft.”

Atje had toen nog jaren te gaan. Hij werd bijna 92. Hij kreeg een beroerte en raakte in coma. Ik herinner me het naargeestige zwoegen van zijn ademhaling.

“Dat is een mechanische bezigheid van het leven”, zegt mijn vader. “Daar zou ik me geen zorgen over maken.”

Lin, Atjes jongere broer, stierf van het drietal als laatste, in 1975. Het waren mensen die hun dood met een gerust gemoed zagen aankomen. Ik maak het best, zeiden ze, maar het zal nou niet lang meer duren. Ze hielden geld apart voor de begrafenis en vertrouwden erop dat de wereld zou blijven draaien.

Ze waren oud. Ze waren moe. Ze hadden het gevoel dat ze alles hadden meegemaakt wat een mens moet meemaken en dat het genoeg was. Dat helpt misschien.

Ze waren tevreden. Ze hadden de zekerheid dat ze hadden geleefd zoals je hoort te leven. Dat zal ook wel helpen.

Voor zover bekend geloofden ze geen van drieën in God.