Francoise Giroud en Bernard-Henri Levy over de strijd tussen de seksen; Een man, een vrouw, een vijgeboom

Françoise Giroud en Bernard-Henri Lévy: Les hommes et les femmes. Uitg.Olivier Orban, Parijs, 284 blz. Prijs ƒ 42,50

Zij: Hebt U wel eens een lelijke vrouw bemind?

Hij: Nou, bemind... laten we niet overdrijven.

Zij: Begeerd dan.

Hij: Jawel.

Zij: Hoe kwam dat?

Hij: Ach, zoals alle echte minaars weten: begeerte is iets raars...

Geen borreltafel, maar een vijgenboom vormt het decor van dit gesprek. Het moet een zomernamiddag zijn, ergens in Frankrijk; alles suggereert het zuiden. Aan het woord zijn Bernard-Henri Lévy, ooit "nieuw filosoof', inmiddels vaardig publicist en opiniemaker; en Françoise Giroud, oud-staatssecretaris voor Vrouwenzaken (onder Giscard d'Estaing), overtuigd feministe en schrijfster van een goed dozijn boeken, waaronder een nogal bekritiseerde biografie van Jenny Marx. Het gesprek gaat over mannen en vrouwen, en vooral over hun wederzijdse betrekkingen.

Het is een door een uitgever gearrangeerd gesprek, één uit een reeks van meerdere dagen. In tien hoofdstukken zijn ze vastgelegd in het boek Les hommes et les femmes: dialogen zonder opsmuk, zoals Giroud ze enkele jaren geleden al eens voerde met Günter Grass. Toen ging het over "Europa', nu over die andere splijtzwam van menige conversatie.

Hoewel... van de bittere argumentatie en gebeten woede die zo vaak het onbegrip tussen mannen en vrouwen onderstrepen (als ze dat niet in het leven roepen) is in het gesprek onder de vijgenboom weinig te merken. Hier discussieert een beschaafde bourgeois met een beschaafde bourgeoise, om de twee bladzijden een Groot Schrijver of Denker citerend (Baudelaire, Proust en Stendhal zijn favoriet), over een vraagstuk dat minder een probleem lijkt te zijn dan een aanleiding tot verbale brille. Opmerkelijk vaak zijn beiden het - als puntje bij paaltje komt - met elkaar eens, het meest verrassend in hun eenstemmig beleden overtuiging dat "de verhouding tussen mannen en vrouwen in Frankrijk nog altijd de beste ter wereld is'.

En ondanks alles zou men bijna met hen instemmen. Niet omdat het tussen de seksen in Frankrijk allemaal botertje aan de boom zou zijn (zoals Giroud onmiddellijk toegeeft), maar omdat de hier verzamelde gesprekken getuigen van een lichtheid die in puriteinser beschavingen al snel als ongepast zou worden ervaren. Dat geeft het gekwetter onvermijdelijk iets oppervlakkigs en frivools, maar het vormt wel een effectieve barrière tegen het ernstig fundamentalisme dat het masculien-feminien debat zo vaak ondraaglijk maakt.

Giroud en Lévy hebben ontegenzeglijk plezier in hun verbale schermerijen, en zolang dat het geval is, kan het met de verhouding tussen mannen en vrouwen nog niet werkelijk mis zijn. Die ironische distantie was al het geheim van de achttiende-eeuwse salons, waarin eruditie, wellevendheid en esprit de gasten behoedden voor àl te meedogenloze kwetsuren van de ziel en er zelden reden was (of behoorde te zijn) tot boze stemverheffing of koppige gebelgdheid. Die conversatiekunst, waarin de ernst minder werd geschuwd dan omwikkeld, moest het in de zoveel serieuzer en moralistischer 19de eeuw afleggen tegen de retoriek van de ondubbelzinnige overtuiging. Daarbij sloeg men met de vuist op tafel, en niet toevallig meden de vrouwen de discussiekamers in de 19de eeuw grotendeels - tot ook zij in de tweede helft van de 20ste eeuw met de vuist op tafel gingen slaan.

Op den duur moest het wederzijds gebrek aan zelfrelativering wel tot een impasse leiden, waarin elk gesprek verzandde of zelfs principieel onmogelijk werd verklaard. Voorspelbaar gebeurde dat voornamelijk in getuigenis-samenlevingen als Noord-Europa en vooral de VS, waar verschijnselen als de - door Lévy en Giroud meermalen met horreur vermelde - "politieke correctheid' en het genstitutionaliseerde wantrouwen tussen mannen en vrouwen een voorlopig maatschappelijk dieptepunt markeren.

Voor zover Lévy en Giroud gelijk hebben in hun trots op de Franse geslachtelijke verhoudingen, vindt dat zijn wortels waarschijnlijk mede in het plezier dat de mediterrane cultuur schept in de discussie omwille van zichzelf. Waar praten een doel is, geniet de inhoud een bijna onbegrensde vrijheid, die niet wordt ingeperkt door nut, relevantie of toepasbaarheid. Het woord hoeft niet te worden gecensureerd, omdat ieder weet dat het met de werkelijkheid maar een zeer losse band onderhoudt - en dat besef bespaart mannen en vrouwen heel wat irritatie (terwijl het in ernstiger culturen veelal juist irritatie schept).

Veel van wat Giroud en Lévy in hun tweegesprekken opwerpen kan de toets der politieke correctheid dan ook moeilijk doorstaan. Lévy lijkt er van begin af aan op uit te zijn de bourgeois te epateren - zelf goed genoeg opgevoed om precies te weten tot hoever hij gaan kan. "De "nieuwe vrouw' bestaat niet,' beklemtoont hij keer op keer. "Vrouwen aan het werk, gelijkheid van geslachten, accoord. Maar wat het wezenlijke betreft (verliefd gedrag, erotiek, dromen, fantasie) zie ik geen doorslaggevend verschil met vroeger.' Hij heeft waarschijnlijk gelijk, zoals Giroud gelijk heeft wanneer ze het belang van de economische zelfstandigheid onderstreept. Minder recht in de leer is dan weer haar vermoeden dat vrouwen uiteindelijk helemaal niet zo blij zijn met een zakelijke omgang in de erotische betrekkingen, of haar bekentenis: "Ik heb altijd alleen maar mooie mannen liefgehad'.

Het aardige van de gesprekken in Les hommes et les femmes is minder hun inhoud dan hun toon en hun vorm. In hun anachronisme brengen ze thema's ter sprake die lang uit de gratie zijn geweest: lelijkheid (als onvermijdelijk onrecht), jaloezie en verleiding. En soms worden daar plotseling verrassend mooie dingen over gezegd: over intimiteit en de sporen van vrouwelijke aanwezigheid (Lévy), over verleidelijke kleding (Giroud). Meestal kabbelen de gesprekken rustig voort, zoals men zich dat kan voorstellen, ergens in de midi, onder een vijgenboom. Daar zouden ze misschien ook het beste gelezen kunnen worden.

    • Ger Groot