Flamencojurken

Estela heeft drie flamencojurken en negen flamencorokken. Maar Estela is dan ook flamencodanseres. Ze is dertien jaar en overdag gaat ze gewoon naar school. 's Avonds treedt ze soms op in een van de grotten van Sacromonte. Haar moeder gaat altijd met haar mee, die is vroeger ook danseres geweest. En als haar moeder niet kan, een van haar oudere zussen. Hele busladingen Franse, Duitse en Japanse toeristen komen naar Estela kijken. Tussen de andere danseressen valt ze op doordat ze lang is en lang blond haar heeft. En ze kan goed dansen.

De jurken van flamencodanseressen zijn anders dan de flamencojurken die vrouwen en meisjes dragen als het feest is. Die van de danseressen zijn eenvoudiger, en ook meer verschillend. Soms hebben ze een lange sleep die lijkt op een pauwestaart. Als een danseres het toneel op komt lopen, doet ze vaak aan een pauw denken. Door hoe ze haar hoofd fier opgeheven houdt, met het haar hoog opgestoken en daarin een bloem, of een hele bos bloemen. Estela zegt: “Bij een rok draag ik een bodice, en daarover natuurlijk een mantilla.” Dat is een omslagdoek met lange franje. Sommige zijn effen, andere geborduurd.

Er moeten maar weinig meisjes in Andalusië zijn voor wie het niet heel belangrijk is een mooie flamencojurk te hebben. Kleine baby's van nog geen jaar zie je al op de arm van hun moeder in een stijf, wijd uitstaand jurkje vol stroken en kant.

Met oorbellen en armbandjes van plastic in de kleur van de jurk. Want als het feest is, maken meisjes zich mooi. Meestal komt er wel een buurvrouw of tante aan te pas om met hun haar te helpen. En met het opmaken. Dat gebeurt heel vakkundig, ook bij de allerkleinsten. Ze krijgen gekleurde kammetjes in hun haar, en bloemen. En tegen hun slaap wordt een lok met zeep vastgeplakt. Een caracol heet dat: een slakkehuis.

Als je een flamencorok op de grond legt, lijkt hij op de hoed van een paddestoel. Een cirkel, met in het midden een gat. De jurken kunnen hammouwen hebben, of lantaarnmouwen. Vroeger werden alle flamencojurken gemaakt van stoffen met grote ronde stippen in afstekende kleuren. Wit met zwart, zwart met rood, groen met wit, roze met blauw. Tegenwoordig zie je ook gebloemde jurken. Een meisje dat geen flamencojurk draagt wanneer het feest is in Granada, heeft bijna iets zieligs. (Het kan natuurlijk zijn dat ze er geen wil. Misschien is ze erg verknocht aan haar spijkerbroek).

Zelfs de kleine meisjes die bij de nonnen in het weeshuis wonen, hebben op een feestdag een flamencojurkje aan. Een afdankertje van de een of andere familie, dat kun je duidelijk zien. Want die jurken zijn duur, en als hij het ene meisje te klein is, past hij wel weer een zusje of een nichtje. Die kleine weesmeisjes zie je dan soms achter hun non aan hollen, opgetogen blij in hun kale, verschoten flamencojurk. Op scheve, te grote schoenen met hakken.

    • Els Pelgrom