Een Rus? Een Pool? God mag het weten; Gavin Young op zoek naar de feiten achter Joseph Conrad

Gavin Young: Het kielzog. Vert. Tinke Davids. Uitg. De Arbeiderspers, 359 blz. Prijs: ƒ 49,50.

-: In Search of Conrad. Uitg. Penguin Books. Prijs ƒ 27,95

De Engelse reisschrijver Gavin Young zoekt graag het exotische in het heden; en wanneer dat niet meer voorhanden is, neemt hij even graag zijn toevlucht tot het verleden. In In Search of Conrad zoekt hij onbeschaamd nostalgisch naar de sporen die Joseph Conrad in de Indische archipel heeft achtergelaten (in het Nederlands kreeg het boek de titel Het kielzog, ongetwijfeld vanwege de twijfelachtige commerciële aantrekkingskracht van de naam Conrad in ons land). Conrad heeft tijdens zijn jaren op zee in de tweede helft van de negentiende eeuw veelvuldig de Oost bevaren en veel mensen en gebeurtenissen uit die tijd duiken op, vaak nauwelijks verhuld, in zijn vroege werk, zoals Almayer's Folly, An Outcast of the Islands en Lord Jim.

Hoe weinig verhuld is eerder aangetoond door Norman Sherry, een onvermoeibare voetsporenbiograaf, die in zijn boek Conrads Eastern World de meeste sporen al blootlegde. Sherry heeft overtuigend laten zien dat Conrad zelden aan de realiteit hoefde te veranderen om er literatuur van te maken. Menige gebeurtenis in die vroege verhalen, novellen en romans gaat terug op een waargebeurde anekdote, die als het ware met de zeeman Conrad meereisde tijdens zijn tochten door de archipel.

Ook de avontuurlijke personages bleken veelal gemakkelijk te herleiden tot bestaande figuren: de Hollander Almayer, de Arabische handelaar Syed Abdullah, de sleepbootkapitein Christian Falk en zelfs de met schande overladen Jim, de eerste stuurman van het ongeluksschip de Patna, ze hebben allemaal hun herkenbare origineel gehad, inmiddels lang dood en vergeten en tot stof vergaan.

Gavin Young is genteresseerd in dat stof. In Het kielzog getuigt hij hartochtelijk van zijn liefde voor Conrad, een schrijver die hem als scholier in zijn greep kreeg en hem daarna nooit meer heeft losgelaten. Die liefde wordt getoond door middel van lange pelgrimages: Conrads eerste reis in de Oost, van Java naar Banka, die eindigde in schipbreuk (later vrijwel letterlijk verwerkt in de novelle Youth) wordt herbeleefd door Young, net als de tocht van Singapore naar Bangkok, en de doorvaart door de moeilijk begaanbare Straat van Makassar tussen Borneo en Celebes, op weg naar de oerwouden van Berau, waar Jim een soort van verlossing vond.

Het probleem met Het kielzog is dat het allemaal zo dunnetjes wordt overgedaan. Young lijkt Conrad in de eerste plaats als een realist te bewonderen en schakelt de schrijver klakkeloos gelijk met zijn personages; Toean Jim was in werkelijkheid A.P. Williams, Kaspar Almayer is niemand anders dan de Nederlander Charles Olmeyer. Young vaart trouw in hun kielzog, bezoekt de havenkanten waar zij handel dreven, de huizen waar ze woonden, de grafzerken waar ze onder liggen.

Ik houd niet van biografen die alleen grafstenen opzoeken en afstoffen. Ik houd helemaal niet van reisschrijvers die in voetsporen van groteren reizen en het daar dan bij laten. Young is zo druk bezig om de literatuur (en Conrads levensverhaal) tot de Feiten te herleiden, dat zijn eigen verbeeldingskracht er bij inschiet; wanneer hij een poging doet Conrads voorbeelden als zelfstandige personages in zijn eigen boek neer te zetten, leidt dat alleen maar tot schuifdeurenliteratuur, met veel knipogen naar de lezer. Bijvoorbeeld wanneer Young de havenmeester van Singapore laat mijmeren over zijn ontmoeting met de Pool Conrad: “En die jonge Tweede Officier - iets dat verdomd lang was en op "ski' eindigde. Een Rus? Een Pool? God mag het weten.” Sinds Chatwin voelen de meeste Engelse reisschrijvers zich geroepen tot experimenten met de vorm van het reisverhaal, maar als uit Het kielzog iets duidelijk wordt, is het dat Young geen Chatwin is.

Reddingsboot

Wat Young nu zo bewondert aan Conrad blijft eigenlijk het hele boek onduidelijk, of het moet een jongensachtige zucht naar avontuur zijn. Op kostschool raakte hij diep onder de indruk van een passage uit Youth, voorgelezen door het schoolhoofd, waarin Conrads alter ego na de schipbreuk voor het eiland Banka, roeiend in een reddingsboot, een openbaring ondergaat: “Tot die tijd had ik niet geweten wat een goede man was. Ik herinner me de vertrokken gezichten, de terneergeslagen gezichten van mijn twee bemanningsleden, en ik herinner me mijn jeugd en het gevoel dat nooit meer zal terugkeren - het gevoel dat ik eeuwig kon leven, langer dan de zee, de aarde en alle mensen; het bedrieglijke gevoel dat ons verleidt tot vreugden, tot gevaren, tot liefde, tot ijdele inspanningen - tot de dood; de triomfantelijke overtuiging van kracht, de warmte van het leven in de handvol stof, die gloed in het hart die elk jaar zwakker wordt, kouder, kleiner en dooft, te vroeg, te vroeg - vóór het eigenlijke leven.”

Dat citaat is eigenlijk alles wat je in Het kielzog van de schrijver Conrad te zien krijgt, een groot schrijver, die op z'n best net zoveel realist als symbolist is. Youngs schooljongensachtige bewondering voor alles wat Conrad heeft aangeraakt, weerhoudt hem ervan diens Oosterse wereld op een overtuigende manier tot leven te roepen; alle figuren die deze vreemdsoortige koloniale samenleving bevolkten intrigeren, maar ze blijven schimmen.

Paradoxaal genoeg komt dit reisboek pas tot leven wanneer de wereld van Conrad op de achtergrond raakt en Young gefascineerd raakt door het Indonesische heden, zoals tijdens zijn bezoek (samen met de Indisch-Nederlandse schrijver Jacob Vredenbregt) aan de Buginezen op Celebes en de nazaten van de Arabische koopman die Conrad in zijn eerste romans gebruikte: de wijdvertakte familie Al Joofree, die nog altijd op Borneo woont. Voor het overige keert Youngs mooie, zo hartstochtelijk verkondigde boodschap zich al snel tegen zijn eigen boek: Lees Conrad!