Een les uit 1949

Nederland is de laatste jaren niet gelukkig geweest in zijn pogingen Nederlanders op belangrijke internationale posten benoemd te krijgen of (beter: en) uitgekozen te worden als zetel van internationale organisaties. Nog vers in het geheugen liggen onze mislukkingen met Van der Stoel en Ruding, met de Olympische Spelen en met de Bank voor Oost-Europa.

Nu zijn we erop uit de centrale bank van de Europese Gemeenschap, waarvan de oprichting in het verdrag van Maastricht besloten ligt, naar Amsterdam te halen; maar tegelijkertijd willen we dat Europol in Den Haag gevestigd wordt, terwijl we ook belangstelling hebben voor het Europese Merkenbureau. En oud-minister Braks wordt warm aanbevolen als directeur van de wereldvoedselorganisatie FAO (om van minister-president Lubbers' ambities niet te spreken).

Natuurlijk moeten we hopen dat al die wensen in vervulling zullen gaan, maar waarschijnlijk is dit niet. Het is zelfs de vraag of we niet, door zoveel te eisen, de kans vergroten dat we per slot van rekening tussen alle stoelen zullen vallen. Het zou niet de eerste keer zijn. In tactiek ligt niet onze grootste kracht.

In de Volkskrant van 19 juni legt Jan Tromp, terecht, nadruk op die kant van de zaak. Het idee dat, als we maar de besten van de klas blijven (Europees en supranationaal gezind), dan alles goed komt, moeten we uit ons hoofd zetten. “In de Eurolobby geldt dat je moet kapen wat je kapen kunt.” Klagen zet helemaal geen zoden aan de dijk.

Nee, dan doen de Fransen dat beter. Tromp haalt de europarlementariër Metten aan, die zegt: “Ze (de Fransen) overbluffen. Ze maken enorm theater, acteren verontwaardiging, gaan tekeer op een wijze waarvan je denkt: maar dat kan toch niet, onder collega's. Maar zo kan het dus wel. Het is zaak dat je even hard terugslaat, liefst harder.”

Prachtig, maar waarmee moet Nederland terugslaan? Als dat spel om internationale posities en vestigingsplaatsen inderdaad een veemarkt is, dan moet je, om iets te bereiken, hetzij iets gelijkwaardigs er tegenover kunnen (en willen) stellen, hetzij dreigen met iets wat de anderen liever niet zien gebeuren.

Met dat laatste heeft Nederland een keer ervaring opgedaan, en dat was geen bemoedigende ervaring. Het was in het voorjaar van 1949. Nederland probeerde onder de gevolgen van zijn tweede politiële actie in Indonesië uit te komen en onderhandelde tegelijkertijd over de toetreding tot het Noordatlantisch pact. Minister van buitenlandze zaken Stikker moest beide ballen in de lucht zien te houden.

De Verenigde Staten waren geen bewonderaar van Nederlands Indonesische politiek. Integendeel, zij oefenden sterke druk uit teneinde Nederland tot concessies aan Soekarno te bewegen. Daartoe moest, onder andere, een embargo op wapenleveranties aan Nederland, kandidaat-bondgenoot, dienen.

Op een goed ogenblik was Stikker zo ten einde raad dat hij besloot de Amerikanen zijnerzijds onder druk te zetten: hij zinspeelde op de mogelijkheid dat Nederland het Noordatlantisch pact wel eens niet zou kunnen gaan ondertekenen. Dat deed hij nog aan de vooravond van de ondertekening van dat verdrag, 4 april 1949.

Maar wat was het resultaat van dit dreigement? De Amerikanen werden er niet warm of koud van. C. Wiebes en B. Zeeman geven daar een levendig relaas van in hun dissertatie Belgium, The Netherlands and Alliances, 1940-1949, waarop zij op 13 mei van dit jaar in Leiden zijn gepromoveerd.

Vanwaar die Amerikaanse onverschilligheid? Welnu Nederlands strategische betekenis was niet zo groot dat de Verenigde Staten de mogelijkheid van Nederlands niet-deelneming aan het verdrag niet onder ogen durfden te zien. Noorwegen, Denemarken (vanwege Groenland), IJsland en Portugal (vanwege de Azoren) waren, in dat pre-rakettentijdperk, belangrijker dan Nederland.

Met andere woorden: Nederlands dreigement werd als bluf beschouwd, en dat bleek het ook te zijn. Stikker tekende braaf het verdrag. Hij was, volgens Wiebes en Zeeman, toen niet de staatsman als hoedanig hij zich later zo graag liet huldigen. Hij had nooit ernstig de waarschijnlijke consequenties van zijn beleid overwogen. Hij had de sterkte van Nederlands onderhandelingspositie overschat (of beter: de zwakte ervan onderschat). Ja, zijn beleid was gemproviseerd en emotioneel geweest.

Het relaas van Wiebes en Zeeman is niet nieuw. Dr. L.G.M. Jaquet had van deze episode ook al melding gemaakt in zijn Minister Stikker en de souvereiniteitsoverdracht aan Indonesië uit 1982. Maar Jaquet houdt rekening met de mogelijkheid dat Stikkers dreigement “mede ten doel had om in geval van mislukking aan de Nederlandse regering (...) te tonen dat onze eisen met aanwending van grof geschut niet haalbaar waren”. Jaquet onthoudt hem dan ook de erepalm van staatsman niet.

Er is dus een verschil in interpretatie. Daar houd ik mij buiten, want het is niet relevant ten opzichte van de vraag of de Amerikanen onder de indruk van Stikkers dreigement zijn gekomen. Het antwoord op die vraag is: nee, en dáárover zijn Wiebes, Zeeman en Jaquet het eens.

Het is dat antwoord dat ons eraan zou moeten herinneren dat we wel buitengewoon goed beslagen ten ijs moeten komen en heel goed alle consequenties van onze acties moeten overzien, alvorens wij met eisen - om van dreigementen niet te spreken - komen. Sommige van onze mede-Europeanen zijn, als het erop aankomt, nog hardere onderhandelaars dan de Amerikanen van 1949.

    • J.L. Heldring