Een heel vals engeltje

Nina Bawden, Apekool (Humbug). Vertaald door Els Pelgrom. Uitg. Querido. Prijs ƒ 22,90. Vanaf 10 jaar.

“Engelien had heel zacht, lichtblond haar, en een zacht roze pruilmondje, en als ze lachte glansden haar tanden als parels. Ze was knap, maar zag er ook een beetje vreemd uit. Haar ogen waren verschillend van kleur. Een oog was lichtbruin, als een kiezelsteen, met gele vlekjes; het andere was fel schitterend groen. Net een stuk groen glas. Of een smaragd.” Dat ene groene oog heeft iets heel boosaardigs, constateert Cora wanneer ze Engelien voor het eerst ontmoet. Het verraadt wat er achter dat engelachtige uiterlijk schuilgaat: een soort heks. En, zo blijkt als we verder lezen in Apekool van de Engelse schrijfster Nina Bawden (Carry's kleine oorlog, Het suikerbiggetje), helaas heeft Cora dat maar al te goed gezien.

Omdat haar ouders voor een halfjaar naar Japan gaan, wordt de zevenjarige Cora samen met haar broer en zusje uitbesteed aan haar grootouders, die haar op hun beurt uitbesteden aan hun buurvrouw, tante Zondag. Dat is handiger, want oma ligt in het ziekenhuis en bovendien heeft tante Zondag een dochtertje dat even oud is als Cora: Engelien. Engelien is een sekreet. Ze probeert Cora wijs te maken dat haar ouders haar niet voor niets in steek hebben gelaten, dat haar grootouders en broer en zus al lang blij zijn dat ze een tijdje van haar af zijn en ze weet het zo te spelen dat Cora door tante Zondag van diefstal wordt beschuldigd. Deze verstandige, o zo beschaafde dame (maar intussen!) reageert zogenaamd begrijpend (“Ik vermoed dat ze het alleen gedaan heeft omdat ze haar mammie zo erg mist”), en zelfs Cora's opa trapt erin, zodat Cora zich eenzamer voelt dan ooit. Toch heeft ze in dat afschuwelijke huis nog een bondgenoot, in de persoon van Engeliens inwonende oma. "Ma Potter', in de ogen van haar dochter en kleindochter een ingedutte oude bes die je onmogelijk nog serieus kunt nemen, voert al jaren een stille strijd tegen het valse tweetal en tussen haar en Cora bloeit een mooie geheime vriendschap op.

In de tussentijd stookt en konkelt Engelien naar hartelust. Voor de arme Cora komt het breekpunt als ze doorkrijgt dat tante Zondag niet, zoals ze steeds dacht, haar dochter op handen draagt, maar door het kleine loeder wordt geterroriseerd. Vanaf dat moment raakt het verhaal in een stroomversnelling en schakelt Bawden over op een ouderwets avonturenverhaal, dat zich afspeelt tegen een klassiek Engels decor: in een oud verlaten huis ergens in de bossen begint Cora noodgedwongen aan een soort zwerversbestaan. Totdat alles toch nog goed komt. Heel erg goed, want o, wat hebben ze haar allemaal gemist, haar opa, haar broer en zus die volgens Engelien zo de pest aan haar hadden, haar oma die weer uit het ziekenhuis komt, ma Potter die voorgoed breekt met haar dochter en kleindochter. De façade die die twee rond zichzelf hebben opgetrokken zakt als een pudding in elkaar en als klap op de vuurpijl komt er nog een warm, bemoedigend telefoontje uit Tokio. Zo ziet Bawden in een paar bladzijden kans van de ongelukkige Cora zo ongeveer het gelukkigste kind van de wereld te maken, en dat is net iets te veel van het goede.

Wat niet wegneemt dat Apekool tot het eind toe spannend blijft. Die spanning zit hem, meer nog dan in het verhaal, in de knappe tekening van de personages en hun onderlinge verhoudingen, in de wisselwerking tussen de twee kampen die Bawden beschrijft: aan de ene kant de valse Engelien en haar moeder die eigenlijk een tragische figuur is, aan de andere kant Cora en ma Potter, die zich op een slimme manier uit hun machteloze positie weten te werken. Cora ontpopt zich als een heldin zonder ook maar een moment heldhaftig te worden: met alle positieve en negatieve eigenschappen die Bawden haar toedicht rijst een verbluffend levensecht karakter op met wie we het hele verhaal ademloos kunnen meebeleven. Afgezien van het ietwat krampachtige einde is Apekool een sfeervol en rijk boek, waarin verschillende oeroude thema's op een harmonieuze wijze zijn verwerkt: vriendschap, haat, familieleven, eenzaamheid, bedrog - wat eigenlijk niet?

Dat Els Pelgrom in haar overigens uitstekende vertaling naast de door Bawden gekozen namen een paar Nederlandse eigennamen gebruikt is een beetje merkwaardig, maar niet zo merkwaardig als het feit dat haar eigen Kleine Sofie en Lange Wapper trots tussen een paar andere "goede boeken'die Cora heeft gelezen prijkt. Een wel heel uitgekookte vorm van sluikreclame, hoewel de vertaalster zelf het ongetwijfeld zal afdoen als een subtiel grapje.