Een behoorlijk tramhuisje; Straatmeubilair van de Amsterdamse School

Kasper van Ommen: Straatmeubilair Amsterdamse School 1911-1940. Uitg. Stadsuitgeverij Amsterdam, 112 blz. Prijs ƒ 22,50.

In de reeks "Historisch Amsterdam' van de Stadsuitgeverij heeft architectuurhistoricus Kasper van Ommen een boekje geschreven over een relatief klein, maar wel bepalend element van het stadsbeeld: het straatmeubilair uit de eerste helft van deze eeuw. "Straatmeubilair Amsterdamse School 1911-1940' is een aanwinst, niet alleen omdat de kleinschalige architectuur van trafohuisjes, kiosken, openbare toiletten, lantaarnpalen en girobussen tot nu toe onderbelicht is gebleven, maar ook omdat er een verband wordt gelegd tussen de objecten en de politieke en economische omstandigheden waaruit ze zijn ontstaan. Bovendien heeft Van Ommen uit archieven tot nu toe onbekende foto's en tekeningen opgedoken. Zoals een kleine, maar serieuze publikatie betaamt, bevat het boekje noten, een bibliografie en korte biografieën van de ontwerpers.

De eerste belangrijke stap voor het ontwerpen van goed straatmeubilair was de erkenning door de dienst Publieke Werken (PW) dat er hulp van buitenaf nodig was. "Een behoorlijk tramhuisje te ontwerpen heeft mijn dienst vrij wat moeite gekost,' klaagde de directeur van PW omstreeks 1910. "De eenige oplossing was ten slotte iets te maken, dat zoo weinig mogelijk in het oog viel.' Architecten als Kramer, De Klerk en Van der Mey - die tussen 1911 en 1919 bij PW de functie van esthetisch adviseur bekleedde - moesten met de weelderige vormgeving van de Amsterdamse School soelaas bieden. Ze schuwden het experiment niet: volgens Van Ommen is het wisselwachtershuisje dat Van der Mey voor het Stationsplein ontwierp (1912) zelfs het eerste gebouw in Nederland van het toen nieuwe bouwmateriaal gewapend beton. "De huidige gebouwen van Publieke Werken te Amsterdam behooren tot de moderne bouwkunst,' schreef het clubblad van de Amsterdamse School, Wendingen, in 1923. "Zij doen krachtig mee in het ernstige en energieke streven, dat deze bouwkunst bezielt, en zij zijn daardoor een waardige uiting van de hoofdstad van het land.'

De titel van het boek is enigszins misleidend. Omstreeks 1925 verloor de Amsterdamse School aan kunstzinnige kracht en populariteit en in de jaren dertig werd Publieke Werken steeds vaker gepasseerd. Gemeentelijke diensten kochten hun lantaarnpalen, schakelkasten en verkeerslichten rechtstreeks van industriële fabrikanten. De huidige Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente heeft dus met zijn door kunstenaars ontworpen straatmeubilair op Damrak en Nieuwmarkt een oude traditie in ere hersteld. De vraag is alleen of die ooit dezelfde waardering te beurt zullen vallen als de blauwe girobus, de groene schakelkast en de "Van der Mey-krul'.

    • Tracy Metz