De mens is de enige diersoort die weet dat hij dood zal gaan; Gesprek met Elizabeth Eybers

Toen de Zuidafrikaanse dichteres Elisabeth Eybers in 1961 naar Nederland kwam, was ze niet van plan om nooit meer terug te keren. Voor haar is Zuid-Afrika niet alleen het land van de apartheid, maar ook van haar gelukkige jeugd. Onlangs verscheen haar zestiende bundel, Respyt, met gedichten over jeugdherinneringen en ouder worden, over geluk en ongemak en verzen waarin de balans wordt opgemaakt. “De gedachte aan een hiernamaals heb ik heel lang niet op durven geven. Maar uiteindelijk ben ik gaan denken dat dat iets is waar je niets van weet en waar je ook niets van kán weten.”

Elisabeth Eybers: Respyt. Uitg. Querido. 56 blz. Prijs ƒ 25,-.

Het begon toen de leraar Engels de klas bij wijze van strafwerk opdroeg een gedicht te schrijven. Toen ontdekte het veertienjarige schoolmeisje Elisabeth Eybers dat ze kon dichten - en sindsdien is ze er nooit meer mee opgehouden. Haar eerste bundel, Belydenis in die skemering, kwam uit in 1936, toen ze 21 was. In 1990 werden haar ruim 600 verzen bijeengebracht in één deel Versamelde gedigte. Onlangs verscheen haar zestiende bundel, Respyt, met gedichten over jeugdherinneringen en ouder worden, over geluk en ongemak, gelegenheidsgedichten en verzen waarin de balans wordt opgemaakt - zoals altijd op een licht verwonderde en licht ironische toon, hier en daar zelfs opmerkelijk luchtig.

Eybers werd in 1915 geboren in Klerksdorp (Transvaal) en groeide op in Schweizer-Reneke, als de tweede van drie dochters van een Afrikaans sprekende dominee en een Engelstalige moeder. Aan de Universiteit van die Witwatersrand in Johannesburg studeerde zij letteren. Daarna werkte zij een tijd als journaliste. In 1937 trouwde zij. Zij is moeder van drie dochters en een zoon. Na haar echtscheiding kwam Eybers in 1961 naar Nederland, waar haar werk inmiddels werd uitgegeven. Zij ontving in 1974 de Herman Gorter Prijs, in 1978 de Constantijn Huygensprijs en in 1991 de P.C. Hooftprijs. ”Een dichter heeft behoefte aan een zekere mate van afzondering', zei ze toen in haar dankwoord. ”Hij of zij is geneigd om alles wat die afzondering bedreigt te wantrouwen.' Eybers spreekt liever niet over haar werk. ”Ek sou liewer met rus wil gelaat word', schrijft ze in haar laatste bundel.

U bent tweetalig opgegroeid, met het Engels als moedertaal en het Afrikaans als vadertaal. Uw laatste bundel bevat ook enkele Engelse gedichten. In welke taal denkt u?

“Tja, dat weet ik zelf eigenlijk niet zo goed. Daar heb ik nog nooit zo over nagedacht. De meeste dingen die ik lees zijn in het Engels, dus ik denk dat ik dan al lezend ook in het Engels denk. Ik betrap me er ook wel eens op dat ik hardop in mezelf praat, en dat doe ik dan ook in het Engels. Maar als ik Afrikaans spreek of lees, zal ik wel in het Afrikaans denken. En als ik zoals nu Nederlands moet spreken, dan denk ik in het Nederlands.”

En in welke taal droomt u?

“Dat weet ik ook niet zo goed... Als ik droom, droom ik vooral beelden. Ik zeg niet zoveel in mijn dromen. Als ik over mijn lagere school droom, waar we Afrikaans spraken, dan zal ik wel in het Afrikaans dromen. Maar droom ik over Johannesburg, waar we vooral Engels spraken, dan zal het wel in het Engels zijn. Ik word wel eens wakker met een Engelse zin op mijn lippen, ja.”

En in welke taal dicht u?

“In het Afrikaans. Dat is gek, ja. Als ik een brief moet schrijven, schrijf ik die het liefst in het Engels, want daar hoef ik nooit bij na te denken. Over mijn Afrikaans ben ik niet helemaal zo zeker meer. Toch dicht ik bijna altijd in het Afrikaans. Af en toe wel eens in het Engels, maar ik vind mijn Engelse gedichten meestal niet zo goed. Ze zijn wat...conventioneler. Het is vreemd, maar het Afrikaans is op een bepaalde manier frisser. Olga Kirsch, een Zuidafrikaanse vriendin die uit een Engelstalig gezin kwam maar toch in het Afrikaans dichtte, zei altijd: ”English is so tired'.”

Is het moeilijk voor u om Nederlands te spreken?

“Nee, maar het resultaat kan ik natuurlijk niet helemaal beoordelen. Ik hoop maar dat u vindt dat ik nu iets spreek dat op Nederlands lijkt. Ik hoef er geen grote moeite voor te doen, maar ik maak nog steeds wel fouten. Dertig jaar geleden, toen ik hier net was, was het moeilijker. Ik hoorde hier woorden die ik niet kende, zoals hartstikke, mesjogge, mazzel. Grappige woorden. En: gewiekst, ik weet nog goed dat ik dat voor het eerst hoorde.

“Ik had natuurlijk een vreemde tongval. Zodra ik mijn mond open deed, hoorde iedereen dat ik niet uit Nederland kwam. En dat was juist in de tijd waarin Zuid-Afrika in een buitengewoon kwade reuk stond. Ik werd soms echt onvriendelijk bejegend als men hoorde waar ik vandaan kwam. In winkels werd ik aangevallen met opmerkingen als ”O, u komt uit dat verschrikkelijke land'. Dat maakte mij nog mensenschuwer dan ik toch al was.

“Mijn leven was natuurlijk totaal ontwricht toen ik hier kwam: op middelbare leeftijd, na een echtscheiding, alleen met mijn jongste dochter, die toen elf was. Ik had een heel impulsieve beslissing genomen. Ik wilde weg, ik wilde een tijd naar een andere omgeving. Ik was hier een keer geweest, ik kende hier wat mensen, Van Oorschot had mijn laatste twee bundels uitgegeven, ik dacht dat ik misschien wat zou kunnen verdienen met vertaalwerk - dus daarom besloot ik naar Nederland te gaan. Maar ik was helemaal niet van plan om nooit meer terug te keren. Dat idee is pas geleidelijk ontstaan. Ik had gehoopt dat ik mij hier snel thuis zou voelen.”

En dat viel tegen?

“Ja, maar daarvoor kan ik alleen mijzelf de schuld geven. Ik voelde mij ongelukkig en ik had zo ontzettend heimwee in het begin. Daar werd ik letterlijk door verteerd: in mijn eerste jaar in Nederland ben ik tien kilo afgevallen. En ik las eigenlijk alleen maar Engels, want daar was ik aan gewend.”

En tot overmaat van ramp werd u hier alleen maar scheef aangekeken wegens de apartheid.

“Ja. Niet door vrienden natuurlijk, maar door buitenstaanders. Ik vond dat heel onrechtvaardig. Ik heb nooit zoveel aandacht geschonken aan de politiek. Ik ben opgegroeid vóórdat de apartheid als een beleid werd geformuleerd. Ik heb natuurlijk makkelijk praten, maar wij hadden altijd ontzettend aardige zwarte kennissen. En de verhouding tussen blank en zwart, in de steden bijvoorbeeld, was over het algemeen heel goed. Als kind realiseerde ik me niet hoeveel ongelijkheid en onrecht er was in wat ik als doodgewoon beschouwde. Maar toen Hendrik Verwoerd in 1948 met zijn apartheidspolitiek begon, was ik 33. Iedereen die ik kende was er natuurlijk tegen. Wij hadden ook gezien wat het nationaal-socialisme kort daarvoor in Europa had aangericht. Wij moesten er eerst vooral om lachen, wij vonden dat hele idee zo krankzinnig. Zelfs mijn vader, die conservatief was, vond het niks. Die zei: ”Zoiets kan alleen een Hollander bedenken'. De afgelopen veertig jaar associeert iedereen in de wereld de naam Zuid-Afrika met apartheid. Maar voor mij is het ook het land waar ik ben opgegroeid en waar ik een heel gelukkige jeugd heb gehad.”

Was Zuid-Afrika niet ook erg verdeeld toen u jong was, zo kort na de Tweede Boerenoorlog (1899-1902)? Bent u niet, bijvoorbeeld, anti-Brits opgevoed?

“Ja en nee, dat is heel ingewikkeld. De generatie van mijn vader was nog betrokken bij de Boerenoorlog (die wij natuurlijk Vrijheidsoorlog noemden). Toen die oorlog uitbrak was mijn vader Brits onderdaan, want hij woonde in de Kaapkolonie. Hij is van huis weggelopen om zich honderden kilometers verderop, in Natal, aan te sluiten bij een Boerencommando. Die strijd hebben de Boeren na drie jaar verloren en er zijn veel mannen op het slagveld omgekomen. Maar in de concentratiekampen zijn toen nog veel meer slachtoffers gevallen: 26.000 vrouwen en kinderen, in korte tijd. Na de oorlog leefden er dus veel pijnlijke gevoelens, maar dat heeft ook weer niet zo lang geduurd. Wij werden op school wel met een zeker patriottisme opgevoed en wij dachten dus over de Engelsen als over een bijzonder wreed volk, maar intussen woonden de Afrikaans- en Engelssprekenden overal gewoon verspreid door elkaar. Het dorp waar ik opgroeide, Schweizer-Reneke, was bijvoorbeeld voor het grootste deel Afrikaanssprekend, maar sommigen van onze beste vrienden waren Engelsen. Er was toen eigenlijk in de dagelijkse omgang weinig discriminatie.

“De Engelsen waren wreed, maar later zie je in dat ze zich hebben gedragen zoals iedere overheerser, en trouwens ook iedere verdediger, in oorlogstijd: dan komen er wrede neigingen boven die je anders niet vermoedt. Het klinkt wat vreemd, maar er was in die tijd ook nog helemaal geen algemeen sentiment tegen het veroveren van nieuw land. Dat werd in zekere zin gewoner gevonden dan nu.

“Dus de verhouding tot de Britten was dubbelzinnig. Ik groeide op met het gevoel dat de Boeren helden waren die zich verdedigd hadden tegen de vreemde veroveraar. Maar aan de andere kant sprak mijn moeder hoofdzakelijk Engels en hadden wij een grote bewondering voor de Engelse literatuur; die vormde onze introductie tot de Europese beschaving.”

In ”Uitgewekene' schrijft u: ”Terwyl jy verdwyn, / Suid-Afrika, hoed ek die heilige skyn / en kom jou nooit ofte nimmer na.' Hebt u heimwee naar Zuid-Afrika?

“Ja, maar dat is gedeeltelijk ook heimwee naar vroeger, toen ik jonger was, toen het leven mooier en gemakkelijker was en je een toekomst had: dat is natuurlijk de gelukkigste tijd van je leven. Het is gek, maar naarmate je ouder wordt, gaat je onmiddellijke verleden een beetje vervagen, en je gaat steeds meer terugdenken aan vroeger. En je gaat je jeugd ook idealiseren.

Zuid-Afrika was vooral zo'n uitgestrekt land. Het idee dat je daar zo de hele dag door een leeg landschap kon rijden - dat geeft zo'n gevoel van eindeloosheid. In Nederland vond ik alles zo ontzettend beknopt en op elkaar gedrongen en plat. Van die platheid werd ik zo depressief in het begin. Ik miste de bergen heel erg.

“Ik ben opgegroeid in Schweizer-Reneke, een vrij onbenullig dorpje in West-Transvaal. Het was klein, met enkele duizenden inwoners, mooi gelegen, aan de oevers van de Hartsrivier, in een heuvelachtig gebied. Mijn vader was daar dominee en zijn gemeente strekte zich kilometers ver uit, tot over de grens met Botswana. Als hij op huisbezoek ging, dan gingen wij als kinderen wel eens mee, met de auto. Soms duurde dat wel een week; dan overnachtten we op een plaas, een grote boerderij. Op die manier heb ik veel van ”de omgeving' gezien.

“Mijn moeder kwam van Kaapstad en mijn grootmoeder woonde op Stellenbosch. Met kerst gingen wij daar met de auto naar toe. We deden drie, vier dagen over de reis, dwars door de Karoo, dat was een afstand van meer dan 2000 mijl. De auto's reden in die tijd nog niet zo snel en het was erg warm, want kerst viel daar midden in de zomer natuurlijk. Maar de warmte in Zuid-Afrika was nooit zo erg als de warmte in Nederland. Daar koelde het na sononder af en werd het fris, hier niet. Ik vond het hier in het begin echt benauwd in de zomer. En verschrikkelijk koud in de winter: een van mijn eerste winters hier was die van 1962-1963.”

Bent u wel eens in Schweizer-Reneke teruggeweest?

“Nee. Toen ik vertrok naar Nederland woonden mijn ouders er al niet meer. Ze zijn er allebei wel begraven en ik heb lang gedacht dat ik er nog eens naar toe wilde, om sentimentele redenen, maar daar is nooit iets van gekomen. En de laatste jaren las ik vooral dat in die streek de Konserwatiewe Party veel aanhang had gekregen. Ik weet niet of ik me daar nu nog zo thuis zou voelen.”

Bent u na 1961 vaak in Zuid-Afrika teruggeweest?

“Nee, niet vaak, vier of vijf keer; voor het laatst in 1979. Het heeft lang geduurd voordat ik mij aangepast had, maar ik heb nu ook hier mijn wortels. Ik ben steeds meer tegen de lange reis gaan opzien, en ik ben ook bang dat ik Zuid-Afrika enorm ben gaan idealiseren. Het rare is dat wij vroeger Europa idealiseerden, omdat zoveel van die dingen waar je de meeste waarde aan hechtte uit Europa kwamen. Ik heb nu geen reden meer om liever ergens anders te willen wonen. Ik heb gewoon het beste van twee werelden gehad.”

U bent gereformeerd opgevoed, maar u heeft er al jong afstand van genomen. In uw nieuwe bundel beschrijft u het geloof bijna als een kunstje, een al te eenvoudig kunstje om alles bij elkaar te brengen, een kunstje dat u al vroeg verleerd bent:

BREUK

Volmaaktheid. Ewigdurendheid.

Onwankelbare sorg en trou:

te haglik om aan vas te hou

as erfenis vir hierdie tyd.

My vader, tuis in die geheim

van hoofletters wat liefde spel,

kon argloos en oortuig vertel

dat heil en onheil naatloos rym -

enorme vereenvoudiging.

Met bitter beterweet geteer

het ek vroeg daardie kuns verleer

wat alles bymekaar moes bring.

“Als kind geloof je alles wat je wordt geleerd, nietwaar. Mijn vader was helemaal niet zo streng in de leer, niet zo fundamentalistisch als sommige gereformeerden in Nederland, maar ik ben toch al vroeg in opstand gekomen tegen het godsdienstige regime thuis. Op school had ik Engelse en joodse vriendinnetjes en ik kon gewoon niet geloven dat wij een grotere aanspraak hadden op de waarheid dan zij. En ik begon te lezen en dan ontdek je dat ook al die schrijvers die zoveel voor je betekenen er heel anders over denken. En daar kwam nog bij dat mijn moeder uit een intellectueel milieu kwam. Wat zij geloofd heeft, heb ik eigenlijk nooit goed begrepen. Zij gedroeg zich wel als een heel loyale domineesvrouw, maar ik dacht niet dat het geloof bij haar een diepe overtuiging was. Haar broer en zus waren niet gelovig, en ik voelde mij in het milieu van die oom en tante veel meer op mijn gemak dan 's zondags in de kerk. Ik vond die gelovigen niet zo sympathiek.

“Voor mijn vader was dat heel treurig. Voor hem was het geloof een teken van je oprechtheid en integriteit en van de hoop op een zalig leven hiernamaals. Dat alles is je aangeboren en dat had je kunnen hebben, en nu versmaad je het: die gedachte kon hij maar moeilijk verdragen.”

U gelooft niet in een leven na de dood?

“De gedachte aan een hiernamaals heb ik heel lang niet op durven geven. Maar uiteindelijk ben ik gaan denken dat dat iets is waar je niets van weet en waar je ook niets van kán weten. Er zijn veel dingen die misschien door iets bovennatuurlijks verklaard kunnen worden, er kan iets als een God zijn en er zijn natuurlijk aanleidingen genoeg om te denken dat er een scheppende macht is. Maar dat kunnen wij niet begrijpen. Ik zeg niet dat de onsterfelijke ziel niet bestaat, maar je kunt je er geen voorstelling van maken. Ik ben mijzelf toen agnostisch gaan noemen. En ik vond het een hele opluchting om niet meer te hoeven geloven in een leven na de dood.”

En dat vindt u nog steeds?

“Het is moeilijk om je voor te stellen dat je niet meer bestaat, en af en toe word je daar ook wel een beetje bang van. Van de andere kant: ik weet ook niets van een leven voor mijn geboorte. Dus waarom zou iets dat zomaar met de geboorte begonnen is niet ook zomaar kunnen eindigen, met de dood?”

Uw laatste bundel heet Respyt.

“Ja, dat is een ander woord voor ”uitstel' en voor ”gratie', in de betekenis van ”uitstel van executie'. Zo is het wel een beetje. Je aanvaardt dat je nog maar een kort tijdje te leven hebt. Het is geen aardige gedachte, maar je hebt het altijd al geweten - dus je kunt je er moeilijk over beklagen.”

Het lijkt wel alsof het besef van respijt u zorgelozer en onthechter maakt: ”Hoe langer hoe lugtiger', schrijft u, en: ”Ek mis myself steeds minder'.

“Ja, ik had soms het vrolijke gevoel dat ik het er nu wel van mocht nemen. Sommige van de gedichten, vooral tegen het einde van de bundel, vind ik haast een beetje...oppervlakkig.”

De enige plaats waar het woord ”respyt' voorkomt is het gedicht ”Sonnige voorjaar'. Daar zingen de merels er na de winter weer vrolijk op los, in de hun toegemeten tijd. Zij weten niet dat er straks weer een winter op zal volgen. Benijdt u hen daarom?

“Nee, zo zou ik het niet willen zeggen. Het verbaast mij alleen dat die vogels ieder jaar weer zo zorgeloos en uitbundig kunnen zingen. Alsof ze nooit stilstaan bij het feit dat het leven zo kort is - wat ze natuurlijk ook nooit doen. ”Man has invented death', heeft Yeats eens gezegd. De mens is de enige diersoort die weet dat hij dood zal gaan. Dat is wel jammer, maar als we het niet zouden weten zou het leven weinig interessant zijn. Dan zouden we ook geen poëzie meer schrijven, denk ik.”

    • Guus Middag