De koningin is niet de politieke arm van kabinet

Tijdens haar werkbezoek aan de Veluwe maande koningin Beatrix de gemeenten niet meteen naar Den Haag te lopen als zij moeten bezuinigen. Deze (politieke) uitspraak is ongetwijfeld in overeenstemming met de opvatting van het kabinet. Maar het parlement moet op zijn tellen passen: het moet ervoor waken dat de koningin in haar vooruitstrevende ambtsopvatting niet geleidelijk de onschendbare politieke arm van het kabinet wordt.

Walter Bagehot, de oprichter van The Economist en auteur van de klassieke studie The English Constitution (1867), heeft de belangrijkste bevoegdheden van de koning in een constitutionele democratie ooit samengevat in het aforisme van de drie koninklijke grondrechten: het recht om te waarschuwen, het recht om aan te moedigen en het recht om te informeren. Een van die rechten, die ook in het Nederlandse staatsrecht erkenning hebben gevonden ("the right to warn'), vond deze week een ongedwongen toepassing bij een werkbezoek van koningin Beatrix aan de Veluwe. Volgens het ANP waarschuwde de koningin de gemeenten dat ze niet te snel naar Den Haag moeten lopen als ze door bezuinigingen van de regering worden getroffen. Zij raadde haar gehoor van lokale bestuurders in Harderwijk aan vooral "zelf met iets concreets' voor den dag te komen om het verlies van de verminderde rijksbijdragen op te vangen.

Het Algemeen Dagblad van woensdag meldde “grote beroering” bij de hofhouding van de koningin en bij de rijksvoorlichtingsdienst over de geciteerde uitspraken. De beroering bij de RVD leek minder te zijn veroorzaakt door wat koningin Beatrix had gezegd dan door de publikatie van haar woorden. De uitspraken waren, aldus het AD, “tegen de geldende regels in de openbaarheid gebracht”. De RVD ontkende niet dat de koningin zich in die geest had uitgelaten, maar maakte bezwaar tegen de handelwijze van het persbureau, dat de uitspraken “in strijd met de afspraken” had gepubliceerd.

Die afspraken waren de pers niet onbekend. De hoofdredacteuren van de bij het besloten gesprek in Harderwijk aanwezige kranten en het ANP hadden tevoren schriftelijk een verklaring ondertekend dat hun kranten de koningin niet zouden citeren. Dat de pers er beter aan zou doen zulke overeenkomsten niet aan te gaan en zich niet aan zelfcensuur te onderwerpen ter bescherming van een staatsrechtelijke fictie (de eenheid van de Kroon) is hier niet relevant. Het protest van de RVD was in elk geval niet ongegrond.

De beroering werd gesust met verontschuldigingen, de informele mededeling dat de schuldigen ermee in zaten en beloften van beterschap. Maar de vraag werd niet beantwoord of de minister-president er ook mee in zat. Die had er zeker zoveel reden toe. Zoals het ANP zich moest verontschuldigen voor het schenden van een afspraak ad hoc, zo zou premier Lubbers zich moeten verantwoorden voor het schenden van een veel oudere, in de grondwet verankerde afspraak, namelijk de overeenkomst tussen koning en ministers dat de laatsten de eerste te allen tijde voor politieke averij zullen behoeden.

De eerste voorwaarde daarvoor is dat de koning(in) niet in enige politieke controverse wordt betrokken - om aldus een publiek debat over het bovenpartijdige koningschap te voorkomen. Dat is, vrij vertaald, de kwintessens van de koninklijke onschendbaarheid. Of de koning(in) in het openbaar al dan niet aan spontane opwellingen toegeeft dan wel een versluierde boodschap van de minister-president overbrengt is formeel van geen belang. Staatsrechtelijk telt alleen dat de minister-president, in de praktijk de eerst verantwoordelijke minister voor het optreden van het koninklijk staatshoofd, zijn staatkundige verantwoordelijkheid bewaakt en de politieke onbesprokenheid van de koningin verzekert.

De koninklijke karavaan liep op het Veluwse werkbezoek als vanouds als een gesmeerde trein die zich in een vooroorlogse massale belangstelling van het publiek mocht verheugen en door honderdduizend mensen werd toegejuicht. Als de indiscretie van de pers het koninklijke plezier niet had bedorven zou het zoveelste succesvolle, ja triomfantelijke koninklije werkbezoek zijn bijgeschreven. Maar zonder die indiscretie zou een niet onbedenkelijke constitutionele regiefout onopgemerkt zijn gebleven.

Op principiële gronden is de zaak zelf nadere aandacht waard. De koningin heeft in Harderwijk ongetwijfeld haar hart gelucht in overeenstemming met de opvattingen van de minister-president c.q. het kabinet. De woorden van koningin Beatrix kwamen premier Lubbers vast niet ongelegen. Hij had misschien al een tijd lang lopen zoeken naar een stok om de hond te slaan. Van de koningin zouden ze een vermaning eerder aannemen dan van hem. Die lastige burgemeesters en wethouders, zeker die in het godvrezende Harderwijk, zouden gemponeerd zijn en zich weer een poosje koest houden. De koninklijke woorden zouden niet alleen een stichtende werking hebben, ze zouden hem (en Haar) ook lekker opluchten. Maar premier Lubbers had de koningin niet met die boodschap op pad mogen sturen en de kastanjes, krachtens het hoofdbeginsel van het Nederlandse regeringssysteem, zelf uit het vuur moeten halen. Het uitdragen van politieke boodschappen, hoe klein ook, is de taak van de verantwoordelijke ministers, niet die van het onschendbare staatshoofd.

Er is al eerder op gewezen dat de ambtsopvattingen van koningin Beatrix sinds 1980 - dus van het begin van haar regeerperiode af - een expansieve evolutie hebben doorgemaakt, een ontwikkeling die zich geruisloos heeft voltrokken onder het baldakijn van een algemene constitutionele lankmoedigheid. Premier Lubbers mag in dat opzicht de lankmoedigste van alle premiers uit de naoorlogse geschiedenis worden genoemd. Maar ook het parlement heeft die evolutie met inschikkelijkheid gadegeslagen. Als de Kamers zouden menen dat die ontwikkeling alleen van belang is voor de interne verhoudingen binnen de Kroon ("de boezem van de regering'), dan vergissen ze zich deerlijk. De kans is groot dat het constitutionele zwaartepunt binnen de regering bij de eerstvolgende kabinetsformatie al merkbaar is verschoven. De kaarten zijn reeds geschud. Lubbers weg. Beatrix in haar veertiende regeringsjaar. Alles wat het parlement daartegenover kan stellen is een debuterende kabinetsformateur, die het vak van minister-president nog moet leren en door de koningin door de branding moet worden geholpen.