De grijze kabouters die de brieven sorteren; Verhalen van Koen Peeters over ongewone postbodes

Koen Peeters: De postbode. Uitg. Meulenhoff/Kritak. 143 blz. Prijs: ƒ 29,50.

Ik weet niet of Koen Peeters ooit voor de klas heeft gestaan, maar het zou me niet verbazen. Hij heeft zo zijn middelen om de lezer bij de les te houden en schrikt daarbij niet terug voor enige retoriek. In zijn debuut, Conversaties met K. (1988) was het de hoofdfiguur die voor opschudding zorgde door in de epiloog de schrijver op z'n Multatuliaans de deur te wijzen. ”Genoeg! Ik heb genoeg gedragen! Ik, Robert Marchand, neem de pen op.' In zijn tweede roman, Bezoek onze kelders (1991) gedroeg de verteller zich als de reisleider die zijn gehoor goed in de gaten houdt. ”Bezoek onze kelders, volg de gids', zo voegde hij de lezer bij het begin van elk nieuw hoofdstuk toe.

Ook zijn nieuwe roman, De postbode, bevat de nodige aansporingen om ons wakker te houden. ”Opgelet', zegt de postbode die zich in hoofdstuk 2 aan het beraden is op een andere functie, ”ik sorteer geen brieven meer. Er was een interne vacature.' De bekende postbode Facteur Cheval die na zijn pensionering in zijn achtertuin een eigenzinnig bouwwerk optrok, treedt in het laatste hoofdstuk op als gids. ”We staan hier voor mijn monument, mijn kruisweg die af is. (-) Normaal vraag ik vijftig frank voor een bezoek met wat uitleg door mezelf, maar nu gaf ik de uitgebreide versie', deelt hij ietwat dreigend mee.

Eigenlijk is De postbode geen roman, maar een verzameling samenhangende verhalen. In zeven hoofdstukken figureren evenzovele postbodes, die iets vertellen over hun achtergrond en bezigheden. Dat levert amusante en luchtig geformuleerde biografietjes op, die toch bepaald niet aan de ernst en zwaarte van het leven voorbijgaan. Peeters heeft een aanstekelijke en levendige hand van schrijven, die tegelijk impulsief en doordacht aandoet. Hij is een moeilijk plaatsbare auteur die met uiteenlopende schrijvers wel iets gemeen heeft. De verzameldrift van Kees 't Hart, om maar een iets te noemen, of het obsessieve van Marie Kessels, het onheilspellende van Gijs IJlander of de vertelwoede van Brakman, al gaat het bij Peeters, anders dan bij Brakman, meer om wat wordt gezegd dan om hoe dat wordt gedaan.

De postbode vertoont zich hier in verschillende, onconventionele gedaantes en is steeds op zoek naar een hogere roeping. Hij wil bijvoorbeeld alles weten over malachiet, bezorgt bij voorkeur brieven die hij zelf geschreven heeft, hij wil zijn land redden of een Ideaal Paleis bouwen. Praten wil hij, schrijven, uitleggen en vooral gehoord en gelezen worden. Hij wil iets overbrengen: een mededeling, een boodschap die, hoe onplezierig misschien ook, duidelijk maakt dat het leven zin heeft en dat hij meer is dan ”een van die grijze kabouters die de brieven sorteren'. Want de postbodes van Peeters zijn geen gewone postbodes. Ze voelen zich verwant met de god Hermes, ”de gevleugelde boodschapper'. Vleugels hebben ze ook wel nodig om aan het alledaagse leven te kunnen ontstijgen. ”Een mens steekt zijn hand op en niemand ziet het', moppert de een. De ander vraagt zich ernstig af of hij wel van mensen houdt. “Vandaag nog ontvangt u een brief, morgen is men u vergeten of bent u verhuisd: verdwenen zonder nieuw adres achter te laten. Ik zal niet aan u denken. We zijn zwak en onbetekenend.”

Wat al deze postbodes met elkaar verbindt, is de onwil om zich bij de normale gang van zaken neer te leggen, zelfs over de grenzen van het leven heen. Net als in Bezoek onze kelders laat Peeters een overleden man aan het woord, die nog eens de aandacht op zichzelf wil vestigen. Het is Patrice Lumumba, die opklom van postbode tot premier van Belgisch Kongo. Na een bewind van een paar maanden kwam niet alleen aan zijn politieke loopbaan, maar ook aan zijn leven een vroegtijdig einde. Lumumba vertelt hoe hij, na wrede mishandelingen, in de nacht van 17 januari 1961 werd doodgeschoten. Hij hoopt daarmee alle andere verhalen teniet te doen die over zijn dood de ronde doen. ”Ik ben in stilte vermoord door onbekenden. Iedereen was onschuldig en ik de grote dode.' De vermoorde Lumumba klinkt nog bijzonder levenslustig en hij besluit met de fiere uitroep dat hij niet zomaar iemand is: ”Op een dag wordt mijn levensverhaal osmotisch opgenomen in de geschiedenis. Mijn naam wordt herdacht en herdrukt. Ik zal niet verdwijnen in de mist van miljarden mensen.'

De geschiedenis, het grote verband waarin individuele lotgevallen, hoe treurig soms ook, een zinvolle plaats krijgen, dat is het ideaal van de romanfiguren en van hun schepper, die zelf ook, als een soort opperpostbode figureert in het boek. ”Op kleine papiertjes noteerde hij alles wat hij had bedacht. Hij verbond alles met alles, net als gebeurde in zijn boeken.'

Niet in de laatste plaats gaat De postbode over het schrijven, dat de dood ongedaan kan maken en verschillende mensen en tijden bij elkaar kan brengen. Als een held wordt de schrijver niet opgevoerd, want zijn creatieve arbeid gaat met heel wat onzeker geploeter gepaard. ”Hooguit een halve bladzijde per dag gulpt uit hem op. Een uur is hij de schrijver, en vaak zelfs dat niet. Onbevredigd gaat hij slapen. Als hij niet schrijft, is hij even ontevreden. 'Net als alle stervelingen heeft hij aandacht nodig, oog en oor, om zijn moeizame geschrijf zin te verlenen. In het universum van Peeters is een mooie rol voor de lezer weggelegd, want wie anders dan wij kunnen de schrijver en zijn roman onsterfelijkheid bezorgen?