De Blije Terugkeer van het Meisjesboek

Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd? NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar het klassieke meisjesboek en er zelf een hoofdstuk van te schrijven. Als tweede vandaag Joyce Roodnat.

HOOFDSTUK 1

"Noor, wil je even bij me komen?'' De bejaarde veearts liet zijn ogen bliksemen onder zijn grauwe wenkbrauwen, maar Noortje was niet van zins direct aan zijn verzoek te voldoen. In de vier maanden dat ze nu haar co-assistentschap aan zijn zijde vervulde, had ze al spoedig ontdekt dat blaffen bij hem nooit bijten betekende. Hoe dringender hij om haar aandacht verzocht, des te futieler was het meestal wat hij haar te zeggen had. Doorgaans wilde hij haar laten delen in zijn tevredenheid over zichzelf. Hij was een goede veearts, zijn nevenpraktijk voor de kleine huisdieren vervulde hij met liefde en Noor had al veel van hem geleerd. Maar hoeveel kalveren hij ook had gehaald, hoeveel katers gesteriliseerd, hij kon het niet laten zichzelf bij elke nieuwe prestatie op zijn vakgebied over te geven aan tomeloze uitbundigheid. Liep over zijn buro, danste met onhandige lange benen door de spreekkamer. Soms liet hij Noor zelfs taartjes halen.

Noor maakte rustig af waar ze mee bezig was. Ze verschoonde het water in de kom en liet de ontschimmelde goudvis zachtjes terugglijden tussen de wuivende waterplanten, echter niet zonder vederlicht een knuffel op zijn happende snuitje te hebben gedrukt. Noor was altijd lief voor haar patiënten. Ze aaide ze, kriebelde onder kinnen en achter oren, kuste neuzen, poten en staarten. Nog vanmorgen had ze, onder de verbaasde ogen van de boer, een agressieve Veluwse bok kunnen benaderen door hem toe te spreken met tedere woorden.

De dokter riep weer en Noor deed of ze haastig naar zijn buro beende. Achter de bruine hoornen bril liet hij zijn blik iets langer dan nodig rusten op haar ovale gezichtje, op de blonde wangen met de sterrehemel van sproeten, de rossige haren, de serieuze kleine mond. “Ik moet je iets zeggen.” Hij schraapte zijn keel. “Ik zal een half jaar verlof moeten nemen. Oververmoeid, zegt mijn specialist. Hartkloppingen met een ritme van free jazz.” Noor zuchtte. Daar gingen haar studiepunten. “Je mag er niet van schrikken, kindje, ik ben zo weer de oude, dat zul je zien. En over het werk hoef je ook niet in te zitten. Ik heb een vervanger gevonden. Je zult hem aardig vinden.” Dat betwijfelde Noor. Ze vond mannen vaak leuk maar zelden aardig.

*

Ondanks het aandringen van de veearts om nog even te wachten op haar nieuwe baas, had Noor haar ivoorkleurige monty-coat aangeschoten. Jachtig liep ze naar de deur, onderwijl de houtjes met de touwtjes verbindend. De groene sjaal had ze al rond haar krullen gebonden, de bijpassende zonnebril al opgezet. Doordat ze zich omkeerde voor een laatste groet, botste ze op de drempel tegen iemand aan. “Nu kun je niet meer vluchten”, schalde de dokter jolig, “nu móet je hem wel ontmoeten!” Tot haar ergernis voelde Noor een blos tot op haar sleutelbeenderen. Zonder te kijken schudde ze de toegestoken hand. “Geert”, zei een warme stem. Noor antwoordde voornamelijk dat ze de deur uit moest. In weerwil van zichzelf monsterde ze de ander een moment. Ze zag een rijzige figuur. Jas, schoenen en pak - broek met smalle pijpen - waren licht- of donkergrijs, de leren dokterskoffer in zijn linkerhand was zwart. Een vuurrode stropdas eiste aandacht voor een charmant gezicht.

Hij is ijdel, vreesde Noor, terwijl ze de vriendelijke voortuin doorkruiste en het houten klaphek opendeed. Lage zonnestralen zetten haar fiets in een gouden gloed, maar leken de voorkeur te geven aan de brede motorkap van een luxueuze donkerblauwe auto. De motor draaide, de chauffeursplaats was leeg. Daarnaast zat een vrouw. Door het geopende portier had ze verveeld haar benen gekruist naar buiten gezet. Een elegante rechterscheen bungelde losjes heen en weer en liet net boven de trottoirband een rode pump wippen aan een kleine voorvoet. Noor probeerde niet te kijken naar het exotische bleke gezicht, omlijst door sluike zwarte haren en het gevolg was dat ze staarde naar de roodfluwelen mantel van het wezen. Uit voluptueus aangezette pofmouwen klokte hij omlaag, vermoedelijk tot een volle cirkel. Een kleine hoed in dezelfde stof vervolmaakte de creatie. Onder de rand van de hoed uit schoot een zijwaarts gerichte, geloken blik. Hij trof Noor en brandde dwars door haar heen: op slag voelde ze zich een dienstmeid. Haar gedachte dat dit de echtgenote van die Geert moest zijn, werd direct bewaarheid. De vervanger was het tuinpad nog niet af of de vrouw sloeg met een driftige tik het portier toe. Door het open dak ving Noor haar gefoeter op: “Jij hebt je werk maar ik ben hier levend begraven.” Noortje schokschouderde en stapte op haar fiets.

Zodra ze de deur van haar flatje achter zich had dichtgetrokken begon Noor zich te verkleden. Ze koos voor de zachtgele, van zijdedraad gebreide jurk die ze had gekocht zodra ze het label in de hals had gelezen: "Golden Evening' heette hij. Noortje hield van zulke beloftes. De mouwloze boothals liet haar schouders vrij voor een kus, de wijde rok haar benen voor een wals.

Ze zuchtte. Wat haalde ze zich in haar hoofd? De man met wie ze een afspraakje had interesseerde haar nauwelijks en dat kwam goed uit want ze had zichzelf beloofd nooit meer haar hoofd te verliezen. De liefde was voor haar altijd een straf geweest. En waarom? Haar onschuld was ze lang geleden kwijt geraakt maar maakte haar dat schuldig? Mij niet, hun, dacht ze, zonder acht te slaan op de regels van de Nederlandse grammatica. Nog nooit had ze in haar jonge leven de bons gekregen, wel was ze steevast gedwongen geweest hem te geven. En elke keer dat haar beurse hart moest genezen had ze onwillekeurig de overeenkomst overdacht tussen haar en haar gewezen geliefde en de poppen waarmee ze als meisje zo hartstochtelijk had gespeeld. Barbie en Ken heetten ze. Barbie kon je verkleden in de prachtigste kostuums, waarna je wild kon fantaseren over alles wat ze meemaakte. Met Ken was er iets mis. Wat je hem ook aantrok, hij bleef zichzelf. Niets raakte zijn zelfgenoegzame plastic kop. En Barbie, hoe veelzijdig, hoe ondernemend, hoe romantisch ook uitgedost, leek geen andere keuze te hebben dan de eenzaamheid of slavin te zijn van zijn starre eigenliefde.

*

Na vijf kwartier en vier kopjes koffie stond Noor op. Hij kwam dus niet. Dat was iets nieuws en het deed stevig pijn, want nu had ze niet eens de eer aan zichzelf kunnen houden. Dit maal wist ze het zeker: Nooit Meer een Man. Alleen nog jonge jongens, die kon ze haar hol in sleuren en hun best laten doen, om ze vervolgens terug te zetten de donkere nacht in. Terwijl ze buiten in haar zakken viste naar haar fietssleutel viel haar oog op de vitrine van een bioscoop. Gejaagd door de wind. Juist. Noor kocht resoluut een kaartje en bestelde in de foyer het dikste ijsje dat ze kon krijgen. Ze zette net haar tanden erin toen iemand haar elleboog aanraakte. Eer ze een snauw kon geven, hoorde ze de stem van vanmiddag naast haar oor: “Dag Noor.” Stuurs retourneerde ze zijn groet. Daar had je hem ook. Die Geert. Aanpappen met de co-assistente, dan kon hij haar later als knechtje gebruiken. Daar trapte ze niet in. “Wil je een kopje koffie?” Noor zweeg en hield als antwoord haar ijs in de lucht. “We zijn allebei alleen geloof ik. Vind je het goed als ik naast je kom zitten?” “Doe wat je niet laten kunt”, zei ze, terwijl ze de zaal in verdween.

Met een gedempte kreun liet Geert zich inderdaad in de stoel naast haar zakken. Het mispunt legde zijn arm middenop de leuning tussen hun plaatsen zodat Noor de hare niet meer kwijt kon. Hij zag er moe uit en ze vroeg zich af of hij wakker zou kunnen blijven, de drieëneenhalf uur die de film duurde. Nog geen twintig minuten later - Rhett Butler had zich net aangediend bij Scarlett O'Hara - constateerde ze triomfantelijk dat ze gelijk kreeg. Zijn arm gleed zwaar van de leuning omlaag, plof! op haar been. Pesterig keek ze opzij. Maar niet zag ze het gegeneerde, lodderig gevouwen gezicht dat ze verwachtte. Twee ogen, die in het schemerlicht van de schaduwen op het bioscoopdoek eens zo diepgroen leken, vulden zich gretig met de hare. Hij was mooi. Hemel, wat was hij mooi.

    • Joyce Roodnat