Consensus is eigenlijk de regel tijdens grote VN-conferenties

WENEN, 25 JUNI. Stemmen op de Wereldconferentie over de mensenrechten is een bijzondere aangelegenheid. Eigenlijk is stemmen uit den boze op dit soort monsterbijeenkomsten, die eerder bedoeld zijn om in algemene overeenstemming richtlijnen uit te vaardigen en principes vast te stellenn dan politieke besluiten te nemen. Bovendien kost stemmen veel tijd, al is het alleen maar omdat tientallen delegaties zich geroepen voelen een stemverklaring vooraf of na afloop af te leggen. Consensus is dus de regel.

Maar als er dan toch moet worden gestemd, zoals gisteren over de “speciale verklaring” over Bosnie, wordt een speciale procedure toegepast. Alle besluiten over zaken van “substantieel belang” moeten genomen worden door “tweederde van de afgevaardigden die aanwezig zijn en gestemd hebben”, zo staat in het desbetreffende conferentievoorschrift.

De uitslag van de stemming over Bosnie - een kwestie van "substantieel belang' - was 88 stemmen voor, een stem tegen, bij 54 onthoudingen. De eerste gevolgtrekking van een niet-ingewijde waarnemer was dan ook dat de verklaring het niet had gered, immers 88 was minder dan tweederde van 143 (88 plus 1 plus 54) deelnemers. Maar dat bleek anders te liggen. De 54 "onthouders' namen volgens VN-gebruik niet aan de stemming deel en zullen ook niet in het verslag worden opgenomen. Officieel wordt geboekstaafd dat de verklaring met 88 stemmen tegen 1 is aangenomen.

Geen wonder dat de Pakistaanse indieners van de verklaring van een grote overwinning spraken, terwijl met evenveel recht kan worden gesteld dat nauwelijks de helft van de 171 officieel in Wenen geregistreerde delegaties - waarvan een deel bewust niet aan de stemming deelnam of niet in de zaal aanwezig was - zich achter het initiatief schaarde.