CDA'er Postma over commissie-Deetman; "Kloof met kiezers overbrug je niet met kerndepartement'

DEN HAAG, 25 JUNI. Het had moeten gaan over het terugbrengen van de emotie in de politiek, het terugdringen van de dictatuur van de getallen en meer aandacht voor symboliek. Maar het ging over typisch Haagse zaken als kerndepartementen en decentralisatie als continu proces.

Dat is, kort samengevat, het oordeel van CDA-senator prof.mr.dr. A. Postma over de stapel adviezen die de afgelopen maanden bij het Binnenhof werd bezorgd. Gisteren verscheen het advies-Wiegel over de departementale herindeling. Het was het laatste rapport in een serie van zes in antwoord op de vraag van Tweede-Kamervoorzitter Deetman hoe de veel besproken kloof tussen kiezer en gekozene kan worden verkleind. Die antwoorden luidden: vermindering van het aantal adviesraden, verkleining van ministeries, versterking van decentralisatie, indirecte verkiezing van de burgemeester en vergroting van de bevoegdheden van de minister-president.

Postma is, behalve gezaghebbend Eerste-Kamerlid, staatsrechtgeleerde in Groningen en vertrouweling van fractieleider A. Kaland. Deze laatste voorzag, voordat hij ziek werd, het politiek bedrijf regelmatig van bijtende commentaren. Begin jaren tachtig schreven Postma en Kaland samen al een artikel in het partijblad van het CDA waarin ze waarschuwden voor een verwijdering tussen kiezer en parlement. Met pleidooien voor invoering het referendum als antwoord op die verwijdering, een belangrijk programmapunt van D66, manifesteerde Postma zich als onafhankelijk denker binnen zijn partij.

De senator vindt de aanbevelingen van de zes commissies “niet allemaal onzin”. Ook in zijn ogen kan Nederland best toen met kleinere departementen en een geringer aantal permanente adviesraden. Wel is hij bang dat dat laatste tot meer adhoc-adviescommissies zal leiden die nu eenmaal, meer dan permanente adviesraden, de neiging hebben zich op de politieke wensen van hun opdrachtgevers te richten. “Daarbij zal men waarschijnlijk minder genegen zijn om gebruik te maken van de diensten van Euroconsult (het bedrijf van de pas afgetreden staatssecretaris In 't Veld, red.)”, grinnikt Postma.

Maar dit alles is geen remedie voor waar het allemaal om begonnen was: de kloof tussen kiezer en Den Haag. Postma: “Men heeft weer de klassieke fout gemaakt door zich op te sluiten binnen het Haagse circuit. We praten al jaren over kerndepartementen, over decentralisatie en over de adviescultuur. Dat deden we al toen we nog niet onze mond vol hadden over die kloof.”

De vraagstelling van Deetman vormde volgens Postma hoogstens een aanleiding om al langer durende discussies voort te zetten, maar werd niet echt serieus genomen. “De veronderstelling die onder alle rapporten ligt is dat als het bestuur maar minder stroperig wordt, het vertrouwen van de burger in het Haags bestuur weer groeit. Die veronderstelling klopt maar ten dele. Misschien herkent de burger zich beter in een kleiner kerndepartement. Maar ligt hij er werkelijk wakker van dat de minister-president nu geen aanwijzingsbevoegdheid heeft, of dat de burgemeester door de Koningin wordt benoemd in plaats van wordt gekozen? De gemiddelde burger zal dat volgens mij worst zijn. Als de goede man of vrouw maar functioneert.”

Had men zich wel aan de officiële opdracht gehouden, dan waren al die commissies nu waarschijnlijk nog bezig geweest of was de zaak in het honderd gelopen, moet Postma wel toegeven. Want de oorzaken van het uit elkaar groeien van burger en politiek zijn niet even met een adviesje hier en een handgreepje daar weg te nemen, zo blijkt.

“In de eerste plaats heeft de burger het zicht verloren op wat er in Den Haag omgaat door de grote omvang van staatstaken”, doceert Postma. “De enorme omvang van de collectieve sector kent vele koppelingen waardoor alles aan alles vast zit.” De ideologische discussie over die collectieve sector is echter nog in volle gang. De PvdA zit met zichzelf in de knoop. Daardoor valt op dit punt voorlopig weinig vooruitgang te boeken, zo vreest ook de senator.

Maar er is meer aan de hand. “Ten tweede”, doceert Postma rustig verder, “past de manier waarop we de politiek hebben georganiseerd niet meer bij deze tijd. Vroeger kon een partij nog volhouden dat het programma waarop zijn afgevaardigden waren gekozen, met de nodige compromissen, werd uitgevoerd. In een dynamische samenleving als de onze is de politieke omloopsnelheid echter te hoog. Neem het regeerakkoord dat op die programma's is gebaseerd. Dat gaat uit van bepaalde veronderstellingen. Bijvoorbeeld dat de dollar gemiddeld 1,75 gulden kost. Even later blijkt dat die 1,92 gulden kost, zodat het akkoord in elkaar zakt. Ondertussen moet de kiezer vier jaar met zijn handen over elkaar zitten. Hij kan niet tussentijds zijn mening geven.”

Aan dit tekort is op korte termijn wel wat te doen, meent Postma. Waarom niet een referendum houden over belangwekkende zaken waarbij de politieke emoties soms hoog oplopen? “Neem de Betuwespoorlijn. Die kwestie speelde helemaal niet bij de kabinetsformatie in 1989 en vormde hoogstens een van de 50 punten in de verkiezingsprogramma's. Daar kun je een referendum over houden. De keuze is duidelijk: de spoorlijn boven of onder de grond. Het parlement schoffeert men er niet mee, daar is nog geen beslissing genomen.”

Dat die emotie tegen het gebruik van een referendum wordt gebruikt, begrijpt Postma niet. “Dan zeg je tegen de kiezer: we vertrouwen u wel als het over Tweede-Kamerverkiezingen gaat, maar we vertrouwen u niet in een referendum.” Postma geeft wel toe dat het middel in diskrediet is geraakt sinds de lage opkomst bij het Amsterdamse referendum over het parkeerbeleid. “Misschien heeft men het daar verkeerd aangepakt, of is alle begin moeilijk. Maar als mijn analyse klopt, kom je toch bij zulke middelen uit.”

Andere onderwerpen die aan een referendum zouden kunnen worden onderworpen is het verdrag van Maastricht, zoals in Denemarken is gebeurd. “Daar zijn de machthebbers in eerste instantie afgestraft. Is hier in Nederland de discussie over dat verdrag nu wel zo geweldig verlopen? Dat terwijl het verdrag over heel fundamentele zaken ging zoals het afschaffen van de soevereiniteit.”

Tussentijds heeft een van de zes commissies-Deetman, de commissie-de Koning, toch nog de opdracht gekregen de mogelijkheden van een referendum te onderzoeken. Het advies hierover moet nog komen. Postma verwacht daar niet veel van. “De commissie-De Koning was dezelfde commissie die schreef dat er eigenlijk geen kloof tussen kiezer en gekozene bestaat.”

De derde, grote oorzaak die Postma ziet van de verwijdering tussen Den Haag en de rest van het land, betreft alweer een fundamentele kwestie die niet één, twee, drie op te lossen valt. “Het derde probleem is het reduceren van de politiek tot getallen en statistieken, en het verdwijnen van de emotie uit de politiek. Dat vind je in tal van departementale begrotingen. Het leidt tot een verschraling die de afstand met de kiezer vergroot. Die wil meer emotie en symboliek. Ik weet dat je in het bestuur tot op zekere hoogte niet aan kwantiteiten ontsnapt, maar je kunt ook overdrijven.”

Wil hier wat aan gebeuren, dan zal het Binnenhof meer dan tot nu toe bevolkt moeten worden door politici waarmee mensen zich kunnen identificeren, politici die tot de verbeelding spreken. “Goede recrutering is een enorm belangrijke zaak”, zegt Postma. “Kaland heeft die symbolische functie, dat merk je aan de aandacht die hij in de media krijgt. Hij staat symbool voor de man uit het volk en voor parlementaire zuiverheid.” In de Tweede Kamer noemt Postma het CDA-Kamerlid Mateman en VVD-fractieleider Bolkestein als voorbeelden. “Mateman geldt als iemand die zich weinig van fractiediscipline aantrekt, Bolkestein staat bekend als een politicus die met eigen standpunten heikele zaken durft aan te snijden. Politici krijgen pas die symboolwerking als ze een bredere, culturele uitstraling hebben, zoals Troelstra, Oud en Kuyper dat in hun eigen tijd al hadden.”

Postma gelooft er niets van dat Nederland na het vervagen van de heilige drieëenheid God, Koningin en Vaderland in een symboolloze tijd is aangeland. De koningin heeft die symbolische functie nog steeds, meent hij. “Heel interessant is dat ook in deze tijd er nog mensen zijn die 's avonds naar de Korte Vijverberg hier in Den Haag gaan. Daar schinkelen ze (lopen ze snel, red.) langs het Kabinet der Koningin om er een brief op de bus te doen. Hun gevoel is: "Ergens is nog een instantie waar ik mijn brief kwijt kan. Ik ben gehoord. Ik heb geen gelijk gekregen maar daar ging het eigenlijk ook niet om; ik ben serieus genomen'.” Daarnaast koestert Nederland een aantal symbolen op economisch vlak zoals Daf en Fokker. “Op dat punt hebben we een traditie”, zegt Postma. “De Verenigde Oost-Indische Compagnie was dat vroeger ook.”

De politiek zou in de ogen van Postma ook in staat moeten zijn om “symbolen te recreëren. De ideologieloze tijd is geen natuurverschijnsel dat ons overkomt.” Zo geeft Postma de grondwet een goede kans om tot zo'n symbool uit te groeien. Door de Europese eenwording kunnen waarden die daarin worden omschreven en waar Nederlanders trots op zijn, zoals de uitwerking van de non-discriminatie in artikel 1, in de knel kunnen raken. “Zeker als die grondwet meer rechten bevat dan het Europese recht, zullen Nederlanders die grondwet graag willen handhaven.”

In de Verenigde Staten bezit de constitutie al die symbolische functie. Ze speelt mede zo'n grote rol in de politieke discussie doordat het Hooggerechtshof de wetten van het Congres toetst aan die grondwet. Ook in de nieuwe Midden- en Oost-Europese staten is die constitutionele toetsing ingevoerd, meldt Postma opgewekt. “Nederland loopt achter”, concludeert hij. “Het wordt hier tijd voor een Wende.”

    • Kees Versteegh