Bezoekers Aida willen geld terug

Voorstelling: Aida van G. Verdi door Bohemian Symphonic Orchestra, Academic Choir en ballet Slowaaks Nationaal Theater o.l.v. Giuseppe Raffa m.m.v. o.a. Jeanne Michelle Charbannet (Cassandra Charitz), Elena Rubin, James Butler, Franco Bonanome, Valentin Pivarov en Angela Veccia. Gezien: 24/6 Parkhal Rai Amsterdam. Herhalingen: 25, 26, 27/6.

AMSTERDAM, 25 JUNI. Vele honderden boze en teleurgestelde toeschouwers hebben gisteravond in de pauze van de opera Aida in een van de hallen van de Amsterdamse Rai hun geld teruggeëist omdat ze van het beloofde “grootste Nederlandse operaspektakel aller tijden” bitter weinig te zien kregen.

De eerste 56 rijen stoelen in de Parkhal, die 8800 bezoekers kan bergen, staan op een vlakke vloer en grote delen van het podium bleken te laag om over het publiek heen iets meer te kunnen zien dan de hoofden van zangers en figuranten, wat speerpunten of de ruggen van paarden en olifanten.

De mensen op de duurste plaatsen vooraan (350 gulden) hadden geen probleem, het gebrekkige zicht begon enkele rijen daarachter (200 gulden). De goedkoopste plaatsen op de achtertribune, 120 meter van het podium, kostten nog altijd 110 gulden.

Tijdens de pauze trok een menigte op naar de Amstelhal. Producent John Rooymans van het Ermelose organisatiebureau SPI beloofde teruggave van de toegangsprijs aan wie dat wilde en zette als garantie op zo'n vierhonderd kaartjes zijn handtekening.

Rooymans gaf de opgewonden operabezoekers toe dat het zicht teleurstellend was en beloofde vandaag het middendeel van het podium een meter te verhogen. “Te laat”, riep men, al kan men ook betwijfelen of dat veel helpt.

Pag.8: Meer spektakel in zaal dan op podium

De Aida in de Amsterdamse Rai, aangekondigd als het “grootste Nederlandse operaspektakel aller tijden” dreigde gisteravond tenonder te gaan als de Titanic onder de operaprodukties. Organisator Rooymans legde het boze publiek dat nauwelijks iets kon zien uit dat juist met het oog op het beperkte zicht overal videoschermen aan het plafond waren opgehangen waarop de voorstelling óók was te zien. De toeschouwers schreeuwden echter opgelicht te zijn en niet van ver naar Amsterdam te zijn gekomen om “in een veehal naar de televisie te kijken”.

Na een lange pauze werd de voorstelling toch voortgezet, waarbij nog andere problemen ontstonden: de videoschermen vielen af en toe even uit, de ondertiteling liet het soms afweten en - telkens op de meest verstilde momenten - produceerde de geluidsinstallatie knallen als geweerschoten. Tegen twaalven was het allemaal eindelijk voorbij en kregen de zangers, die het ook niet konden helpen, toch nog een waarderend applaus.

De publieke onrust in de immens grote nieuwe Parkhal, pas vorige week opgeleverd, was al vlak na het begin van de voorstelling begonnen. Toeschouwers die nauwelijks iets zagen marcheerden al tijdens de aria Celeste Aida massaal op naar de achtertribune, waar nog vele lege plaatsen waren. Daar was dan wel iets meer overzicht, maar vanaf meer dan honderd meter leek het 75 meter brede decor met sfinxen, tempels, beelden en obelisken vooral een fata morgana aan de verre horizon.

De Parkhal is reusachtig groot, maar ook relatief heel laag. Het hoofd van de grote sfinx - met een gelaatsuitdrukking als van Malle Pietje - stak al tussen de stangen van de dakconstructie. En als men noodgedwongen naar de videoschermen keek, zat men de hele avond toch vooral naar dat stalen plafond te staren en dat werd zeker niet ervaren als spektakel.

Na de eerste scène liet het morrende publiek al weten daar geen genoegen mee te nemen. Men riep “Schande!” en zorgde voor meer spektakel in de zaal dan op de scène. Daar speelde de voorstelling zich af op en rond wat grote zetstukken en enkele wat hogere zijpodia. Daartussendoor was de vloer niet verhoogd om tijdens de Triomfmars twee olifanten te kunnen laten meelopen. Als ze over een podium hadden gemoeten, zouden ze daar zeker doorheen zijn gezakt.

Deze voorstelling van Aida, een produktie die vijf jaar geleden in Montreal voor het eerst werd getoond en sindsdien over de wereld reist, is er een van het type zoals die wordt gegeven in de Arena van Verona. Een breed opgesteld decor, fraaie kostuums, honderden figuranten die als krijgers en priesters in lange colonnes heen en weer lopen en zich groeperen tot strak gedrilde cohorten.

Maar in de uitvoering is deze voorstelling slechts een flauwe afschaduwing van wat in Verona al sinds 1913 leidt tot fascinerende visuele en dramatische effecten. Ook het muzikale en vocale aandeel speelt zich daar op een veel hoger niveau af dan nu het geval is in Amsterdam. In tegenstelling tot het openlucht-spektakel van Verona komt deze Aida uitsluitend via de geluidsinstallatie, die de massascènes niet aankon en een schelle en platte klank produceerde. In de soli en duetten was dat beter.

De solisten leken, vooral na de pauze, onder deze omstandigheden te zingen op een alleszins acceptabel en betrouwbaar niveau. Als vocaal evenement was het toch verre van groots, al klonk in de Nijlscène iets door van wat deze fantastische Verdi-muziek kan betekenen. Het koor, vast opgesteld onder een stuk podium, zong soms vreselijk en zakte in de Triomfmars per maat minstens een halve noot. Het orkest speelde redelijk, maar waaraan dirigent èn regisseur Giuseppe Raffa de kwalificatie "maestro' zou ontlenen, werd niet duidelijk.

Deze voorstelling kan het ook lang niet halen bij de artistiek zoveel ambitieuzere Aida's die enkele jaren geleden werden gegeven in sporthallen in Den Bosch en Amsterdam. Daar beheersten artistieke ambities een visueel ingetogen voorstelling met een intense dramatische werking. En Maria Chiara in de titelrol was een enerverende zeldzame gebeurtenis. Hier gaat het toch alleen om "spektakel': twee olifanten, wat paarden en één python, die er op afstand uitziet als een opgeblazen tuinslang.

    • Kasper Jansen